ECLI:NL:RVS:2026:1291

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001149
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 9 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier

Appellant, een Cubaanse nationaliteit houdende vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 3 november 2023 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling beoordeelde ambtshalve of appellant belang had bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Geconstateerd werd dat appellant reeds rechtmatig verblijf in Nederland heeft sinds 2 januari 2023, waardoor zij niet hoeft te vertrekken en haar recht op familie- en gezinsleven kan uitoefenen. Hierdoor maakt de afwijzing van de aanvraag geen inbreuk op haar rechten.

Daarnaast kon appellant geen eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf verkrijgen dan de reeds vastgestelde datum. Ook werd vastgesteld dat de door appellant gestelde schade niet het gevolg was van het bestreden besluit, maar van een eerder besluit. Gezien het ontbreken van een gunstigere positie en belang verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang van appellant.

Uitspraak

BRS.25.001149
Datum uitspraak: 9 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 juli 2025 in zaak nr. 24/16466 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 september 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Jansen, referent, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft de Cubaanse nationaliteit en haar echtgenoot heeft de Tsjechische en Nederlandse nationaliteit. Zij heeft eerder een aanvraag ingediend om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 22 mei 2025 ingewilligd en vastgesteld dat appellant rechtmatig verblijf heeft in Nederland met ingang van 2 januari 2023.
2.        Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister haar aanvraag om een verblijfsvergunning regulier mocht afwijzen, omdat appellant niet heeft voldaan aan het mvv-vereiste en het inburgeringsvereiste. Appellant betoogt dat zij als echtgenote van een Unieburger is vrijgesteld van deze verplichtingen.
2.1.        De Afdeling ziet aanleiding om ambtshalve te beoordelen of appellant een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Daarvoor is bepalend of appellant in een gunstiger positie kan komen. Appellant heeft in deze procedure een aanvraag ingediend om verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Omdat appellant inmiddels rechtmatig verblijf in Nederland heeft, hoeft zij Nederland niet te verlaten en kan zij ongehinderd het recht op familie- en gezinsleven uitoefenen. De minister maakt daarom geen inbreuk op de uitoefening van het familie- en gezinsleven van appellant door haar aanvraag af te wijzen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, onder 4.2.
2.2.        Appellant heeft ook geen belang bij de vaststelling van een eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Appellant heeft haar aanvraag namelijk op 10 augustus 2023 ingediend, waardoor zij geen eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf kan verkrijgen dan zij nu al heeft, namelijk met ingang van 2 januari 2023.
2.3.        Ten slotte heeft appellant niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 20 september 2024. De gestelde schade is namelijk geen gevolg van het besluit van 20 september 2024, maar van het aanvankelijk afwijzende besluit van de minister op haar aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Ook de gestelde schade levert daarom geen grond op om deze zaak inhoudelijk te beoordelen.
2.4.        De Afdeling stelt vast dat appellant om deze redenen niet in een gunstigere positie kan terechtkomen binnen deze procedure, waardoor zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
3.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026
941-1173