ECLI:NL:RVS:2023:1060
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 januari 2020 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris de aanvraag overeenkomstig de werkinstructie 2019/15 en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft beoordeeld. De vreemdeling heeft een Chavez-Vilchez-verblijfsrecht, dat haar rechtmatig verblijf en de uitoefening van haar familie- en privéleven met haar Nederlandse dochter waarborgt. De staatssecretaris maakt geen inbreuk op artikel 8 EVRM Pro door de aanvraag af te wijzen, omdat geen sprake is van scheiding van familieleden of beperking van het privéleven.
De rechtbank liep vooruit op een hypothetische toekomstige situatie waarin het verblijfsrecht zou eindigen en een schending van artikel 8 EVRM Pro zou kunnen optreden. De Afdeling verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie van de EU dat bevestigt dat het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht niet als tijdelijk verblijf wordt beschouwd en vreemdelingen met dit recht in beginsel in aanmerking komen voor een EU-langdurig ingezetenenstatus.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 15 april 2021, en verklaart het beroep van de staatssecretaris ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 15 april 2021 worden vernietigd.