ECLI:NL:RVS:2026:1328
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 9 april 2025 is afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 februari 2026 ongegrond verklaarde. Verzoeker ging vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 11 maart 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker worden beschermd totdat het hoger beroep inhoudelijk is behandeld. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter J.M. Willems en griffier M.C.S. Heinen.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.