ECLI:NL:RVS:2026:135
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak betreffende machtiging tot voorlopig verblijf
Op 13 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak waarin de minister van Asiel en Migratie een voorlopige voorziening heeft verzocht. Dit verzoek volgde op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 25 november 2025 een eerder besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had vernietigd. De staatssecretaris had op 30 januari 2023 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf voor betrokkenen 2 tot en met 9 afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moest nemen, wat leidde tot het hoger beroep van de minister.
De voorzieningenrechter heeft in zijn overwegingen gekeken naar de belangen van zowel de minister als de betrokkenen. Hij heeft geoordeeld dat er aanleiding is om de voorlopige voorziening te treffen, waardoor de minister niet verplicht is om de uitspraak van de rechtbank uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Dit besluit is genomen met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.