ECLI:NL:RVS:2026:135
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
Bij besluiten van 30 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van betrokkenen 2 tot en met 9 om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkenen gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op 13 januari 2026 besloten dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.
De belangen van de minister en betrokkenen zijn afgewogen, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding zag om de voorlopige voorziening toe te kennen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier L.S. van den Oosterkamp.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.