ECLI:NL:RBDHA:2025:22319

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL24.4502
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtigingen tot voorlopig verblijf voor Eritrese gezinsleden en de beoordeling van de redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eisers tegen de afwijzing van de minister van Asiel en Migratie om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen aan eiser 2 tot en met 9 beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvragen onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. De minister had de aanvragen van eiser 2 en 3 en de aanvragen van eiser 4 tot en met 9 in twee afzonderlijke besluiten van 30 januari 2023 afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 behandeld en het onderzoek heropend op 11 februari 2025 vanwege de complexiteit van de rechtsvragen. De rechtbank concludeert dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de gestelde vader van eiser 2 niet kon worden geïnterviewd in Eritrea en dat de eisen die aan de eisers zijn gesteld, niet evenredig zijn aan de omstandigheden waarin zij zich bevinden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de eisers wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.4502

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1], v-nummers: [nummer 1], eiser 1,

[eiser 2],v-nummer: [nummer 2], eiser 2,
[eiser 3],v-nummer: [nummer 3], eiser 3,
[eiser 4],v-nummer: [nummer 4], eiser 4,
[eiser 5],v-nummer: [nummer 5], eiser 5,
[eiser 6],v-nummer: [nummer 6], eiser 6
[eiser 7],v-nummer: [nummer 7], eiser 7,
[eiser 8],v-nummer: [nummer 8], eiser 8,
[eiser 9],v-nummer: [nummer 9], eiser 9,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
-
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de weigering van de minister om aan eiser 2 tot en met 9 machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen. De aanvragen voor verlening van een mvv zijn namens eiser 2 tot en met 9 gedaan door eiser 1, die optreedt als referent.
1.1.
De minister heeft de aanvragen van eiser 2 en 3 en de aanvragen van eiser 4 tot en met 9 in twee afzonderlijke besluiten van 30 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 januari 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij deze afwijzingen gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van die zitting gesloten. Op 11 februari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met de complexiteit van één van de rechtsvragen die in deze zaak aan de orde is en verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep daarna op 20 mei 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het bestreden besluit is namelijk onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers legt de rechtbank hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1
Voordat zij de beroepsgronden bespreekt, geeft de rechtbank eerst weer waarom eisers deze aanvragen hebben ingediend en wordt ingegaan op de achtergrond en de totstandkoming van het primaire besluit (onder 3). Vervolgens gaat de rechtbank in op de bezwaarprocedure en het bestreden besluit (onder 4). Daarna gaat de rechtbank over tot de inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden (onder 5). Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of van de gestelde vader (eiser 2) kon worden verlangd dat hij zou afreizen naar Ethiopië voor een interview. Hierbij wordt ingegaan op de vraag of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom nader onderzoek naar de vader gerechtvaardigd was en of de minister kon verlangen dat de gestelde vader zou uitreizen. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de beroepsgrond dat eisers een beroep kunnen doen op de zogenaamde ‘versnellingsmaatregel’ en de vraag of uitreizen voor DNA-onderzoek kon worden verlangd. Hierbij wordt ook ingegaan op de vraag of de familierechtelijke relatie al voldoende aannemelijk is met de bij de aanvraag ingebrachte identiteitsbewijzen en doopcertificaten. Onder 7 gaat de rechtbank in op de overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot volgen de conclusie en de gevolgen (onder 8).
Achtergrond en totstandkoming van de primaire besluiten
3. Eiser 1 heeft de Eritrese nationaliteit en heeft op 17 december 2021 als alleenstaande minderjarig vreemdeling (amv) een verblijfsvergunning asiel gekregen. Op 23 december 2021 heeft eiser 1, als ‘referent’, namens eiser 2 tot en met 9 aanvragen voor een mvv ingediend. Met deze mvv kan eiser 1 zich herenigen met zijn gestelde ouders (eiser 2 en eiser 3) en zijn gestelde broers en zussen (eisers 4 tot en met 9). Bij de aanvragen zat een ondertekend aanvraagformulier voor DNA-onderzoek voor alle gestelde gezinsleden.
3.1
De gestelde ouders, broers en zussen zouden volgens de aanvragen net als eiser 1 de Eritrese nationaliteit hebben. Referent was ten tijde van de indiening van de aanvraag nog minderjarig. Volgens de aanvragen waren ook de gestelde broers en zussen ten tijde van de indiening van de aanvraag minderjarig.
3.2.
Op 18 oktober 2022 heeft de minister aan eiser 1 bij brief laten weten dat de aanvraag niet compleet is en verschillende, in de brief nader genoemde documenten opgevraagd. In deze brief wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de gestelde vader achterblijft in Eritrea. Eiser 1 is er onder meer op gewezen dat de gestelde vader in dat geval toestemming moet verlenen voor het vertrek van broertjes en zusjes naar Nederland. Ook staat in de brief dat zeer waarschijnlijk nader (DNA-)onderzoek zal moeten plaatsvinden. In de brief staat dat dit kan in Ethiopië of Soedan, waar volgens de brief uiteindelijk ook de mvv’s zouden moeten worden afgehaald.
3.3.
Op 9 november 2022 heeft Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) namens eiser 1 geschreven dat de gezinsleden de mvv’s willen afhalen in Khartoem in Soedan. Daarnaast zijn verschillende gevraagde documenten overgelegd. [2] Ten aanzien van de gestelde vader is naar voren gebracht dat het voor hem niet mogelijk is een antecedentenverklaring over te leggen, omdat hij in het leger zit en al vier maanden niets van hem is vernomen. Om die reden is ook een verklaring voor het ontbreken van toestemming voor de achterblijvende ouder overgelegd.
3.4
Bij brief van 21 november 2022 heeft de minister aangekondigd een DNA-onderzoek op te willen starten, waarbij het afnemen van DNA-materiaal zou moeten gebeuren door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in Khartoem in Soedan. Eiser 1 is gevraagd om het adres van zijn gezinsleden in Soedan vóór 1 februari 2023 kenbaar te maken.
3.5.
Op 9 december 2022 heeft de rechtbank naar aanleiding van het beroep van eisers 2 tot en met 9 tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van eisers geoordeeld dat de minister voor 7 februari 2023 een beslissing op de aanvragen diende te nemen. [3] De minister heeft eiser 1 daarom op 9 december 2022 verzocht om uiterlijk 28 februari 2023 kenbaar te maken of de gezinsleden in Soedan verblijven. In de brief van 23 januari 2023 is dit gecorrigeerd en gevraagd om uiterlijk 28 januari 2023 te reageren. De minister heeft daarbij opgemerkt dat, als hij niet voor die datum van eiser 1 hoort, hij ervan uitgaat dat de gezinsleden nog in Eritrea verblijven.
3.6.
In het afwijzende besluit van 30 januari 2023, dat gaat over de aanvragen van de gestelde ouders, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de identiteit van de gestelde ouders is aangetoond op basis van overgelegde identiteitskaarten. De familierechtelijke relatie tussen de gestelde ouders en eiser 1 is volgens de minister niet aangetoond, omdat de gestelde ouders niet zijn uitgereisd naar Soedan. Daarom zijn de aanvragen voor een mvv voor de gestelde ouders van eiser 1 afgewezen.
3.7.
In het afzonderlijke afwijzende besluit van 30 januari 2023 dat gaat over de aanvragen van de gestelde broers en zussen van eiser 1 heeft de minister de aanvragen aangemerkt als aanvragen om een mvv met als doel verblijf als familie- of gezinslid. In dat licht heeft de minister beoordeeld of de gestelde broers en zussen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van het gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarbij is verwezen naar het onder 3.6. genoemde besluit, waarbij de aanvragen voor een mvv voor de gestelde ouders zijn afgewezen. Vanwege die afwijzing is geconcludeerd dat de gestelde ouders en de gestelde broers en zussen niet van elkaar worden gescheiden als de mvv wordt geweigerd. De weigering van de mvv is daarom niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. In de bezwaarfase hebben eisers aangevoerd dat de minister in het kader van de zogenaamde ‘versnellingsmaatregel’ een beleid hanteert waarbij de ambassade zonder DNA-onderzoek kan worden gemachtigd een mvv te verlenen. Subsidiair hebben zij naar voren gebracht dat de familierechtelijke relatie al voldoende aannemelijk is met de bij de aanvraag ingebrachte identiteitsbewijzen en doopcertificaten.
4.1.
Op 29 oktober 2023 heeft de minister eiser 1 gehoord over het bezwaar. Tijdens dit gehoor heeft eiser 1 naar voren gebracht dat de gestelde vader weer thuis is bij de gestelde moeder, broers en zussen. Eiser 1 is daarop gevraagd naar de activiteiten van zijn gestelde vader in militaire dienst. [4] Daarnaast is eiser 1 gevraagd naar de antecedentenverklaring voor de gestelde vader en gevraagd naar zijn uitreismogelijkheden. [5] Eiser 1 heeft vervolgens verklaard dat de gestelde vader later kan uitreizen naar Addis Abeba in Ethiopië. De gemachtigde van eiser 1 heeft verduidelijkt dat daarmee wordt bedoeld dat eiser 1 hoopt dat dit in de toekomst kan, maar dat dat op dat moment niet kon en voor de gestelde vader als militair ook levensgevaarlijk is. Eiser 1 heeft desgevraagd verklaard over het aantal mislukte pogingen van andere gezinsleden om uit te reizen (ongeveer zeven keer), waarbij ook is verklaard over de plaatsen waarvandaan dit is geprobeerd. [6] Ten slotte is tijdens het gehoor gevraagd naar de toestemmingsverklaring van vader voor vertrek van de gestelde broers en zussen naar Nederland voor het geval het de gestelde vader niet lukt om uit te reizen.
4.2.
In bezwaar is namens de gestelde vader een antecedentenverklaring ingebracht en een toestemmingsverklaring voor de overkomst naar Nederland van zijn zes gestelde kinderen.
4.3.
In de brief van 22 november 2023 aan eisers heeft de minister meegedeeld dat hij voor de gestelde vader een interview wil organiseren en dat dit in Addis Abeba (in Ethiopië) zal moeten plaatsvinden. De minister heeft niet vermeld wat de aanleiding is voor dit interview. In reactie op de aankondiging van de minister hebben eisers op 20 en 21 december 2024 onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht van Eritrea van december 2023 (AA) toegelicht dat het voor de gestelde vader als militair onmogelijk is om uit te reizen.
4.4.
In het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing in stand gelaten. De minister concludeert dat geen documenten zijn overgelegd die de
familierechtelijke relatietussen de gestelde ouders en eiser 1 aannemelijk maken en dat daarvoor DNA-onderzoek nodig is. De overgelegde doopaktes zijn daarnaast onvoldoende om van de gestelde broers en zussen de
identiteiten de
familierechtelijke relatiemet eiser 1 aannemelijk te maken. Daarom is DNA-onderzoek nodig voor het vaststellen van de identiteit en de familierechtelijke betrekking met de gestelde broers en zussen. Volgens de minister is daarnaast nader onderzoek nodig naar de gestelde vader en is hij niet beschikbaar gebleken voor een interview over zijn militaire dienst. Volgens de minister is niet gebleken dat uitreizen voor hem niet mogelijk is. De minister wijst er daarbij op dat de illegale uitreis bij toegestane gezinshereniging onvermijdelijk is en dat eisers er zelf voor hebben gekozen om een mvv aan te vragen. Het beroep op de risico’s die aan het uitreizen kleven is volgens de minister onvoldoende gepersonaliseerd en verschilt niet van andere nareiszaken waarbij (dienstplichtige) gezinsleden een aanvraag indienen. Daarnaast stelt de minister vast dat het eiser 4 inmiddels wel is gelukt om uit te reizen. Dat de gestelde vader na zijn uitreis vervolgens niet meer zou kunnen terugkeren, leidt volgens de minister niet tot een ander conclusie.
Het onderzoek naar de gestelde vader
5. Eiser betoogt dat in het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd waarom juist de gestelde vader geïnterviewd zou moeten worden. Eiser legt daaraan ten grondslag dat de militaire dienst van de gestelde vader niet relevant is.
5.1.
Verder betogen eisers dat de gestelde vader geen daadwerkelijke en reële mogelijkheid is geboden om aan het interview deel te nemen, omdat hij daarmee wordt gedwongen te deserteren en illegaal uit te reizen naar Ethiopië. Hij loopt daarmee volgens eiser het risico om gearresteerd en zwaar bestraft te worden. Eiser wijst ter onderbouwing op het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van mei 2022 en stelt dat de minister de inhoud daarvan niet kenbaar heeft betrokken. In de aanvulling op het aanvullend beroepschrift brengt eiser naar voren dat vier gestelde kinderen ([eiser 5], [eiser 6], [eiser 7], [eiser 8]) samen met de gestelde vader, een week voor de geslaagde poging van moeder en [eiser 9] eind april of begin mei 2024, tijdens hun poging het land te verlaten zijn opgepakt door de Eritrese politie in Tsorona. De gestelde vader zit volgens eiser sindsdien vast in May Edaga. Als het al noodzakelijk was om onderzoek te doen, dan valt volgens eiser niet in te zien waarom dat niet op een andere manier kon worden vormgegeven.
5.2.
De minister stelt in het verweerschrift dat tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase van 9 oktober 2023 is gebleken dat de vader van eiser gedurende zijn militaire dienst heeft deelgenomen aan gevechtsacties in Tigray. [7] De militaire dienst van de gestelde vader is een indicatie die kan raken aan de openbare orde zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Artikel 1F van het Vv kan in de weg staan aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet (Vw). Eisers hebben volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval sprake is van zodanige bijzondere of schrijnende omstandigheden dat de minister verkennend onderzoek had moeten doen naar een alternatieve mogelijkheid van een gehoor in Eritrea. Die mogelijkheden zijn er volgens de minister ook niet. De minister wijst erop dat ook zal moeten worden uitgereisd voor de mvv en dat de mislukte pogingen om uit te reizen niet zijn onderbouwd. De minister is bevoegd een mvv te weigeren aan een vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kunnen de lidstaten een verzoek om toegang en verblijf van gezinsleden afwijzen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Het tweede lid van deze bepaling schrijft voor dat de lidstaat bij zijn besluitvorming (onder meer) de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk van het gezinslid op de openbare of de openbare veiligheid in overweging neemt, of het risico dat van die persoon uitgaat.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte helemaal niet is ingegaan op de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk van de gestelde vader op de openbare of de openbare veiligheid of het risico dat van deze persoon zou uitgaan. De minister stelt terecht dat de militaire dienst van de gestelde vader een indicatie is die kan raken aan de openbare orde, maar maakt helemaal niet concreet welke aanwijzingen maken dat een inbreuk op de openbare orde of het risico daarop aan de orde is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gestelde vader wel een antecedentenverklaring heeft overgelegd, waarin hij verklaart dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft. Op deze verklaring is de minister in het bestreden besluit niet ingegaan en niet duidelijk is gemaakt waarom dat in dit geval niet voldoende was. Al hierom is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
5.4.
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat hij mocht verlangen dat de gestelde vader zou uitreizen voor een interview over zijn activiteiten gedurende zijn militaire dienst en de gevolgen van het niet uitreizen voor risico van eisers komt, deelt de rechtbank dat standpunt in dit geval niet. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 13 maart 2019 in de zaak E. [8] volgt dat de minister rekening moet houden met de belangen van betrokken kinderen en ervoor moet zorgen dat de eisen die hij stelt aan bewijsmiddelen, verklaringen en uitleg, evenredig zijn aan de aard en het niveau van de problemen waarmee de betrokkenen worden geconfronteerd. Dit betekent dat onder omstandigheden de minister gehouden kan zijn aanvullend onderzoek op enige wijze te faciliteren. [9] Die situatie doet zich in dit specifieke geval voor vanwege de hierna te noemen bijzondere omstandigheden. Hiervoor is allereerst van belang dat door eisers is onderbouwd waarom het niet mogelijk was om uit te reizen en deze stelling is ook in lijn met het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van mei 2022, waarin staat dat legaal uitreizen niet mogelijk is [10] en dienstplichtweigeraars en deserteurs veelal buitengerechtelijk worden bestraft. [11] Daarnaast is door eisers desgevraagd wel de antecedentenverklaring aangeleverd. De minister heeft niet duidelijk gemaakt waarom dat in dit geval niet voldoende is. Daarnaast acht de rechtbank de eerdergenoemde versnellingsmaatregel van belang. Nu de identiteit van de gestelde ouders van eisers is aangetoond, zou op basis van de WI 2022/7 normaal gesproken aanleiding bestaan om aan hen DNA-onderzoek aan te bieden om de familierechtelijke relatie vast te stellen. [12] Voor de biologische broers en zussen van de amv’er geldt op grond van de WI 2022/7 als hoofdregel dat het ontbreken van officiële identificerende en familierechtelijke documenten van minderjarige broers en/of zussen in beginsel niet wordt tegengeworpen als, zoals in dit geval, de identiteit van de ouders met officiële documenten is aangetoond. In dat geval zullen ook de gestelde broers en zussen in beginsel de gelegenheid moeten worden gesteld de familierechtelijke relatie aan te tonen door middel van DNA-onderzoek. Volgens de versnellingsmaatregel hoeft bij wijze van uitzondering echter geen DNA-onderzoek plaats te vinden bij ‘Eritrese bio-kerngezinnen’ bij zaken die zijn ingediend voor 2 maart 2022 voor zowel de gestelde ouders als de gestelde broers en zussen en wordt uitgegaan van een match. Niet in geschil is dat de versnellingsmaatregel in beginsel kon worden toegepast op de aanvraag van eisers. [13] In deze zaak werpt de minister echter tegen dat geen sprake is van een compleet ‘bio-kerngezin’, omdat de gestelde vader achterblijft. Dit betekent dat het blijven vasthouden aan de eis dat de gestelde vader van eiser uit dient te reizen voor een interview in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag er in de onderhavige zaak toe leidt dat de versnellingsmaatregel niet langer van toepassing is. Als gevolg daarvan geldt ook voor de overige gezinsleden weer de strengere eis van DNA-onderzoek, waarvoor ook zij moeten uitreizen. Dat acht de rechtbank onevenredig, met name omdat meerdere minderjarige kinderen zijn betrokken en geen contra-indicaties bestaan ten aanzien van de identiteit en de familierechtelijke relatie. Daarbij weegt de rechtbank mee dat door eisers meerdere uitreispogingen zijn ondernomen en dat iedere uitreispoging (vooral voor de gestelde vader) onbetwist enorme risico’s met zich brengt. De rechtbank begrijpt dat en waarom de minister zich op het standpunt stelt dat hoe dan ook moet worden uitgereisd, ook als de gevraagde mvv wél wordt verstrekt, maar vindt daarbij wel van belang dat het dan gaat om een éénmalige uitreis, terwijl in de huidige situatie van de gestelde vader van eiser meerdere reisbewegingen worden verlangd, terwijl niet in geschil is dat dat voor hem een groot risico oplevert. De minister had onder deze omstandigheden daarom (tenminste verkennend) aanvullend onderzoek moeten doen naar de mogelijkheid om het van de gestelde vader verlangde interview op een andere manier vorm te geven, waarbij geen (gevaarlijke) uitreis van hem wordt verlangd, zodat niet alleen al om de reden dat het voor de gestelde vader niet mogelijk is om uit te reizen voor de overige (veelal minderjarige) gezinsleden ook moeilijker wordt gemaakt om de door hen gevraagde mvv te verkrijgen. De enkele stelling tijdens de zitting dat een andere manier niet mogelijk is, is in het licht van de bijzondere omstandigheden in deze zaak onvoldoende. Indien uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat het echt niet mogelijk is en eisers ook niet op een andere manier in de benodigde informatie kunnen voorzien, zal de minister in het licht van de omstandigheden kenbaar moeten afwegen of wordt vastgehouden aan de eis dat de gestelde vader van eiser uit dient te reizen voor een interview in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.
5.5.
De beroepsgrond slaagt.
Overige beroepsgronden
6. Het beroep is gegrond en de minister zal (tenminste verkennend) aanvullend onderzoek moeten doen. Met de uitkomst van het aanvullend onderzoek zal de minister nader moeten motiveren of, en zo nee waarom niet, de versnellingsmaatregel kan worden toegepast. Als het verkennend onderzoek er namelijk toe leidt dat eiser 2 kan uitreizen, is sprake van een bio-kerngezin en worden de familierechtelijke relaties van eisers in deze zaak aangenomen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden.
Redelijke termijn en proceskosten
7. Eiser voert aan dat de redelijke termijn is overschreden. Hij verzoekt om een immateriële schadevergoeding.
7.1.
In zaken als onderhavige geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. [14]
7.2.
De minister heeft het bezwaarschrift van eisers ontvangen op 24 februari 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn is verstreken op 24 augustus 2023 en is overschreden met 5 maanden en 5 dagen. De beroepsprocedure bij de rechtbank heeft geduurd vanaf 6 februari 2024 tot de datum van deze uitspraak. Dat is 21 maanden en 19 dagen. Nu van bijzondere omstandigheden als oorzaak voor deze termijnoverschrijding niet is gebleken, betekent dit dat op de datum van deze uitspraak de rechtbank de redelijke termijn met 273 dagen heeft overschreden. Gelet op het voorgaande wordt de overschrijding van de redelijke termijn met in totaal iets minder dan 9 maanden voor 1/5 deel aan de minister toegerekend en voor 4/5 deel aan de rechtbank.
7.3.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. [15] Het schadebedrag in deze zaak bedraagt gelet hierop € 1.000. Omdat de overschrijding in dit geval aan de rechtbank en de minister is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 200 en de Staat tot een bedrag van € 800 als vergoeding voor de door eisers geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.4.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen voor zover die zien op kosten die gemaakt zijn voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 25 juni 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de zitting van 20 mei 2025 na het verwijzen van de zaak naar de meervoudige kamer van deze zittingsplaats).
7.5.
Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de termijnoverschrijding aan de minister en de rechtbank is toe te rekenen, ziet de rechtbank aanleiding de minister en de Staat ieder te veroordelen tot vergoeding van de helft van de proceskosten die eisers hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de minister in totaal € 2.494,25 aan proceskosten moet betalen en de Staat € 226,75.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van twaalf weken. Eisers krijgen een vergoeding voor door hen geleden immateriële schade en de door hem gemaakte proceskosten. De berekening hiervan staat onder overwegingen 7 tot en met 7.5.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 800;
  • veroordeelt de minister tot betaling van aan eisers van een schadevergoeding van € 200;
  • bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de proceskosten van eisers moet vergoeding tot een bedrag van € 226,75 voor het verzoek om schadevergoeding;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van eisers moet vergoeding tot een bedrag van € 2.494,25 voor het indienen van het beroep en het verzoek om schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzitter, en mr. J.M. Emaus-Visschers en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Zoals foto’s van de gezinsleden, antecedentenverklaring van een aantal (gestelde) gezinsleden, een verklaring van de gestelde (mogelijk) achterblijvende ouder (vader) en een verklaring burgerlijke staat voor eiser 4.
3.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 9 december 2022, NL22.20177 (niet gepubliceerd).
4.Rapport hoorzitting nareis, p. 4.
5.Rapport hoorzitting nareis, p. 4 en 5.
6.Rapport hoorzitting nareis, p. 7.
7.Rapport Hoorzitting nareis, p. 3-4.
8.HvJEU 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192.
9.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3117 die gaat over aanvullend onderzoek, maar dan in het kader van het aannemelijk maken van een familierechtelijke relatie.
10.Algemeen Ambtsbericht Eritrea, mei 2022, p. 56.
11.Algemeen Ambtsbericht Eritrea, mei 2022, p. 40.
12.WI 2022/7, p. 7.
13.Volgens de versnellingsmaatregel wordt deze maatregel niet toegepast bij ‘contra-indicaties’. De minister heeft tijdens de zitting van 8 november 2024 en de zitting van 20 mei 2025 bevestigd dat er geen contra-indicaties zijn ten aanzien van de identiteit en familierechtelijke relaties van eisers.
14.ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.