AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot verkorting termijn nieuw besluit intrekking natuurvergunning mestvergistingsinstallatie
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant wees het verzoek van Stichting Brabantse Milieufederatie (BMF) en anderen af om een omgevingsvergunning en een natuurvergunning voor een mestvergistingsinstallatie in Tilburg in te trekken. De rechtbank verklaarde dit besluit in oktober 2025 ongegrond en beval het college binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen. BMF en anderen stelden hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om de termijn voor het nieuwe besluit te verkorten.
De voorzieningenrechter overwoog dat de termijn van zes maanden door de rechtbank mocht worden gekoppeld aan het lot van twee latere omgevingsvergunningen uit 2022 en 2023, omdat het college pas een weloverwogen besluit kan nemen als duidelijk is hoeveel stikstofdepositie de mestvergistingsinstallatie veroorzaakt onder de gewijzigde vergunningen. De termijn van 23 april 2026 is haalbaar, aldus het college.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af en oordeelde dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het oordeel is voorlopig en niet bindend voor de bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om verkorting van de termijn voor het nemen van een nieuw besluit over intrekking van natuurvergunningen wordt afgewezen.
Uitspraak
202506022/2/R2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van onder meer:
Stichting Brabantse Milieufederatie (BMF) en anderen, gevestigd in Tilburg,
verzoeksters,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2025 in zaak nr. 22/3171 en 22/3200 in het geding tussen:
BMF en anderen
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2022 heeft het college een verzoek van BMF en anderen om een op 4 april 2018 verleende omgevingsvergunning met aangehaakte natuurtoestemming, voor zover betrekking hebbend op een mestvergistingsinstallatie (het project) op het terrein van VIDA Bioenergy Tilburg B.V. (VBT), en een op 10 mei 2016 verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het project in te trekken, afgewezen.
Bij uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank het door BMF en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 november 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na de dag van verzending van de einduitspraak in de zaken SHE 23/745 en SHE 23/751 respectievelijk SHE 23/1948 en SHE 23/2152.
Tegen deze uitspraak hebben BMF en anderen en VBT hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak ingesteld.
BMF en anderen hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar BMF en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandsverlener in Gennep, en het college vertegenwoordigd door mr. H. Witbreuk, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. Verder is op de zitting VBT, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. W.G.B. van de Ven, advocaat in Rotterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep is het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 bepalend.
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
3. VBT exploiteert aan de Vloeiveldweg 5-8 in Tilburg (onder andere) een mestvergistingsinstallatie.
4. BMF en anderen hebben op 1 november 2021 verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning van 4 april 2018 met aangehaakte natuurtoestemming en een op 10 mei 2016 verleende Wnb-vergunning, voor zover deze ziet op de - toentertijd - niet gerealiseerde mestvergistingsinstallatie.
Het college heeft dit verzoek, voor zover in deze procedure van belang, voor de natuurvergunningen bij besluit van 8 november 2022 afgewezen, omdat volgens het college de intrekking van de natuurvergunningen niet nodig is als passende maatregel om verslechtering van de nabijgelegen Natura-2000 gebieden Loonse- en Drunense Duinen & Leemkuilen en Kampina & Oisterwijkse Vennen tegen te gaan.
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de afwijzing van het intrekkingsverzoek van de natuurvergunningen in strijd is met artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. De rechtbank heeft het besluit van 8 november 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het verzoek om intrekking van BMF en anderen, binnen zes maanden na de dag van verzending van de einduitspraak in de zaken SHE 23/745 en SHE 23/751 respectievelijk SHE 23/1948 en SHE 23/2152.
6. De zaken met nrs. SHE 23/745 en SHE 23/751 respectievelijk SHE 23/1948 en SHE 23/2152 hebben betrekking op een op 1 april 2022 verleende omgevingsvergunning voor een milieu-neutrale wijziging van de mestvergistingsinstallatie (hierna: de omgevingsvergunning van 2022) en een op 7 juli 2023 verleende omgevingsvergunning voor een luchtwasser bij de mestvergistingsinstallatie (hierna: de omgevingsvergunning van 2023). Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7040, heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in die besluiten te herstellen. Verder heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen op grond waarvan de mestvergister onder bepaalde voorwaarden in gebruik mag worden genomen. Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 9 januari 2026 de hersteltermijn verlengd tot en met 23 april 2026.
Het hoger beroep en verzoek om een voorlopige voorziening
7. BMF en anderen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het hoger beroep en het verzoek zijn er uitsluitend op gericht om de termijn waarbinnen het college een nieuw besluit moet nemen op het verzoek om intrekking, te verkorten. BMF en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat het college in plaats van zes maanden na de dag van verzending van de einduitspraak van de rechtbank in de zaken met nrs. SHE 23/745 en SHE 23/751 respectievelijk SHE 23/1948 en SHE 23/2152, zes maanden na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening moet beslissen. BMF en anderen stellen dat de termijn die de rechtbank heeft gegeven te lang is omdat de mestvergistingsinstallatie in werking blijft en deze daarom blijft doorgaan met het deponeren van stikstof op de omliggende Natura-2000 gebieden en kwetsbare habitattypen. Ook is het volgens BMF en anderen onduidelijk waarom de rechtbank de termijn voor het nemen van een nieuw besluit over het verzoek om intrekking heeft gekoppeld aan het lot van de omgevingsvergunningen van 2022 en 2023.
Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
8. Het verzoek is, zoals hiervoor in 7 is overwogen, er uitsluitend op gericht om de door de rechtbank gegeven termijn waarbinnen het college opnieuw moet beslissen op het verzoek om intrekking van een onherroepelijke omgevingsvergunning met aangehaakte natuurtoestemming en een onherroepelijke natuurvergunning, te verkorten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en de door de rechtbank opgelegde termijn aan te passen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht de rechtbank de termijn van het nieuw te nemen besluit koppelen aan het lot van de omgevingsvergunningen uit 2022 en 2023, zodat het college - zo leidt de voorzieningenrechter uit de uitspraak af - de alsdan vergunde wijzigingen aan de mestvergister bij de besluitvorming kan betrekken. Het college kan namelijk pas weloverwogen beslissen op het intrekkingsverzoek nadat duidelijk is hoeveel stikstofdepositie als gevolg van de exploitatie van de mestvergistingsinstallatie plaatsvindt. Wanneer duidelijk is op welke manier de mestvergistingsinstallatie op grond van de omgevingsvergunningen uit 2022 en 2023 precies in gebruik mag zijn, kan op dat moment worden bezien hoeveel en op welke natuurwaarden de installatie stikstofdepositie veroorzaakt en of gelet daarop intrekking van de natuurvergunningen nodig is als passende maatregel. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het college op de zitting te kennen heeft gegeven dat het de termijn van 23 april 2026 gaat halen, zodat ook binnen afzienbare termijn duidelijkheid zal bestaan over het lot van die omgevingsvergunningen.
Conclusie
9. Het verzoek wordt afgewezen.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.