AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing ligplaatsontheffing woonschip Zijkanaal B wegens gevaar voor scheepvaartverkeer
De appellant woonde sinds 1991 op het woonschip "Claes van Kyten" in Zijkanaal B en had daarvoor een ontheffing voor ligplaatsgebruik. Na constatering van het zinken van het schip in 2015 en overdracht aan de minister, heeft appellant vanaf 2020 met een ander woonschip, "Vooranker", ligplaats ingenomen. Hij vroeg om omzetting of verlening van een ontheffing, die de minister in 2021 en opnieuw in 2022 afwees vanwege risico's voor de scheepvaartveiligheid en gebrek aan onderhoud.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit en oordeelde dat de ontheffing niet automatisch verviel en dat de minister onvoldoende had gemotiveerd. De minister nam een nieuw besluit dat opnieuw werd aangevochten. De Raad van State oordeelt dat de minister de weigering in 2022 voldoende heeft gemotiveerd, mede op basis van een inspectierapport dat de slechte staat van het woonschip bevestigt en het gevaar voor de vaarweg.
De Raad van State verklaart het hoger beroep en het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de ontheffing terecht heeft geweigerd. Tevens wordt een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter.
Uitkomst: De minister heeft de ligplaatsontheffing terecht geweigerd vanwege risico's voor de scheepvaartveiligheid en gebrek aan onderhoud.
Uitspraak
202207030/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2022 in zaak nr. 22/233 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2021 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om omzetting of verlening van een ontheffing van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B te Velserbroek, afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij de rechtbank ingesteld. De minister heeft hiermee ingestemd.
Bij uitspraak van 14 oktober 2022 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2021 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 21 november 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellant] opnieuw afgewezen.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 21 november 2022.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.R. Duurland, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woonde sinds 1991 op het woonschip "Claes van Kyten" op [locatie] in Zijkanaal B. Zijkanaal B is een zijtak van het Noordzeekanaal. Op 13 juli 2010 is aan hem ambtshalve ontheffing verleend voor het innemen van een ligplaats met dat woonschip. Tot 2015 heeft [appellant] gebruik gemaakt van de ligplaats. Op 26 mei 2015 is door medewerkers van Rijkswaterstaat (hierna: RWS) geconstateerd dat het woonschip aan het zinken was door de slechte staat en een gebrek aan onderhoud. Aan [appellant] is spoedeisende bestuursdwang aangezegd en hem is meegedeeld dat op zijn kosten alle noodzakelijke maatregelen ter bescherming van het oppervlaktewater zouden worden genomen. Diezelfde dag heeft [appellant] een afstandsverklaring voor zijn woonschip ondertekend, waarmee de eigendom van het woonschip werd overgedragen aan de minister. Het woonschip is op 17 juni 2015 overgedragen aan een sloopbedrijf.
2. Vanaf mei 2015 tot 16 maart 2020 heeft [appellant] in een caravan op de oever van [locatie] gewoond. Vanaf dat moment heeft hij met het woonschip "Vooranker", eigendom van [partij], ligplaats ingenomen op de [locatie]. Op 5 november 2021 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om hem ontheffing te verlenen van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B voor het woonschip "Vooranker" op de locatie [locatie], of de eerder op zijn naam afgegeven ontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten" om te zetten op naam van "Vooranker".
Besluitvorming
3. De minister heeft de aanvraag van [appellant] om omzetting of verlening van een ontheffing van het ligplaatsverbod afgewezen. De weigering is gebaseerd op artikel 9.03, zesde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR). De in het BPR opgenomen bepalingen strekken blijkens artikel 1 vanPro het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement en de toelichting daarop tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer op voor de scheepvaart openstaande openbare wateren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de in 2010 aan [appellant] verleende ontheffing niet kan worden omgezet naar het woonschip "Vooranker", omdat die ontheffing zaaksgebonden was en dus alleen gold voor het woonschip "Claes van Kyten". Nu dat woonschip vernietigd is, heeft de ontheffing geen rechtsgevolg meer. Daarnaast weigert de minister [appellant] een nieuwe ontheffing te verlenen, omdat bij zijn gebruik van de oude ontheffing is gebleken dat hij niet in staat is hiervan gebruik te maken zonder het waterstaatsnetwerk en het scheepvaartverkeer in gevaar te brengen. Door zijn handelwijze in 2015 komt hij niet in aanmerking voor een nieuwe ontheffing.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat de in 2010 aan [appellant] verleende ligplaatsontheffing is vervallen. Omdat er geen geldige ontheffing meer is op naam van [appellant], kan er geen omzetting van die ontheffing plaatsvinden. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de gang van zaken in 2015 geen zodanige strijd met de scheepvaartbelangen oplevert dat een nieuwe ontheffing nu geweigerd moet worden. Het woonschip waar [appellant] nu ontheffing voor heeft aangevraagd is gemaakt van beton in plaats van hout. De stelling van [appellant] dat het risico op zinken van dit woonschip veel kleiner is en dat er geen risico is op olielekkage, is door de minister niet weersproken. Dat [appellant], zoals de minister heeft gesteld, geen onderhoud aan het woonschip pleegt, is volgens de rechtbank niet komen vast te staan. De feitelijke situatie op de oever is onvoldoende om een (gevaarzettend) gebrek aan onderhoud van het woonschip aan te nemen. Andere concrete feiten of omstandigheden op grond waarvan aangenomen moet worden dat het verlenen van een ligplaatsontheffing aan [appellant] de scheepvaartbelangen in gevaar zou brengen, zijn door de minister niet gesteld. De belangen van andere ligplaatsnemers, voor zover dat geen scheepvaartbelangen zijn, kunnen geen weigeringsgrond opleveren. De rechtbank heeft de weigering van de ontheffing daarom vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het hoger beroep
Procesbelang
5. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat "Vooranker" door [partij] is afgevoerd en door een sloopbedrijf gesloopt is. [appellant] heeft daarna met een ander woonschip ligplaats ingenomen in Zijkanaal B. Een oordeel over de ligplaatsontheffing voor "Vooranker" kan dus geen betekenis meer hebben voor dat woonschip. Maar de minister heeft op de zitting bij de Afdeling verklaard dat [appellant] een betere uitgangspositie zou hebben bij het aanvragen van een volgende ligplaatsontheffing, als hij een ontheffing zou hebben voor "Vooranker". [appellant] heeft daarom nog belang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.
Gronden
6. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat zijn mensenrechten geschonden zijn. Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ligplaatsontheffing die in 2010 ambtshalve aan hem is verleend van rechtswege is vervallen.
Beoordeling van het hoger beroep
6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM3239, dat de ontheffingen van het ligplaatsverbod in Zijkanaal B schip-, persoons- en locatiegebonden zijn. Dat betekent dat bij wijziging van één van deze aspecten een nieuwe ontheffing noodzakelijk is. Daaruit volgt dat de aan [appellant] verleende ontheffing voor het woonschip "Claes van Kyten" niet omgezet kan worden naar het woonschip "de Vooranker", maar dat [appellant] een nieuwe ontheffing moest aanvragen.
6.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de motivering van de weigering van de ontheffing geen stand kan houden op grond van het BPR, dat strekt tot bescherming van de scheepvaartbelangen. Alleen al daarom heeft de rechtbank het besluit van 29 november 2021 vernietigd. Daarom hoefde zij niet op de overige gronden in te gaan.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond.
Het beroep tegen het besluit van 21 november 2022
8. De minister heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 21 november 2022 een nieuw besluit genomen. Dat besluit is op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24, van de Awb onderdeel van dit geding.
Het besluit van 21 november 2022
9. In het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsontheffing opnieuw afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat de situatie en het daarmee samenhangende risico voor de verkeersveiligheid hetzelfde is als in 2015. Het woonschip "Vooranker" zou in 2020 worden afgevoerd uit Zijkanaal B omdat [partij] hier geen gebruik meer van wilde maken. Dit bevond zich toen al niet in goede staat en had onderhoud nodig. Dit is vastgesteld door een inspecteur van RWS. Sindsdien heeft er geen onderhoud of inspectie door een deskundige plaatsgevonden. [partij] heeft hier ook niet de financiële middelen voor. Dat hij niet in staat maar ook niet bereid is om onderhoud te plegen, volgt volgens de minister uit het feit dat het woonschip "Vooranker" niet is aangesloten op de riolering. Dat "Vooranker" van beton is in plaats van staal, zoals de "Claes van Kyten", maakt de situatie niet anders, omdat ook een betonnen boot uiteindelijk onderhoud nodig heeft. De minister is dan ook van mening dat [appellant] door een gebrek aan financiële middelen en kundigheid het scheepvaartverkeer in gevaar zal brengen en er een te grote kans is op schade aan de vaarweg. Tot slot kan aan [appellant] geen voorrang worden verleend ten opzichte van andere geïnteresseerden in de ligplaats, alleen omdat [appellant] al illegaal ligplaats heeft ingenomen.
Gronden
10. [appellant] voert aan dat de pogingen van de minister om hem weg te krijgen uit Zijkanaal B een schending zijn van zijn recht op een waardig leven en het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast klopt de weergave door de minister van de gebeurtenissen rondom het woonschip "Claes van Kyten" in 2015 niet en is het niet aan [appellant] te wijten dat het woonschip "Vooranker" niet is aangesloten op de riolering. RWS heeft namelijk geweigerd de ligplaats van [appellant] in te richten met goede aanmeervoorzieningen en een aansluitpunt voor het riool, drinkwater en elektra, vanwege de in 2015 tegen hem aangespannen ontruimingsprocedure.
Verder voert [appellant] aan dat de minister de afwijzing van de aanvraag voor een ligplaatsontheffing opnieuw grotendeels baseert op de situatie in 2015. De rechtbank heeft echter al geoordeeld dat deze motivering onvoldoende is. Voor zover de minister stelt dat [appellant] ook nu niet in staat blijkt het woonschip te onderhouden en er een grote kans is dat [appellant] daardoor het scheepvaartverkeer in gevaar zal brengen, is alleen verwezen naar een inspectierapport van 15 november 2022 en een algemene website over woonboten. Volgens [appellant] heeft de toezichthouder die de inspectie op 15 november 2022 heeft uitgevoerd onvoldoende kennis over scheepsbouwkunde om op basis van dat inspectierapport tot de conclusie te komen dat [appellant] de scheepvaartbelangen in gevaar brengt.
Tot slot voert [appellant] aan dat, als er al een gebrek aan onderhoud zou bestaan en dat problematisch zou worden, dit geen reden is voor de weigering van een ligplaatsontheffing. Dit kan mogelijk alleen maar reden zijn voor de minister om een last onder bestuursdwang op te leggen.
Beoordeling van het beroep
10.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gang van zaken in 2015 geen zodanige strijd met de scheepvaartbelangen opleverde dat de ontheffing daarom geweigerd moest worden. De minister heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of de minister de ontheffing mocht weigeren op grond van de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit van 21 november 2022.
10.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister de weigering van de ligplaatsontheffing in het besluit van 21 november 2022 voldoende gemotiveerd heeft. Daartoe is van belang dat het woonschip "Vooranker" al niet in goede staat verkeerde en onderhoud nodig had toen [partij] dit woonschip in 2020 verving voor een nieuw woonschip en [appellant] "Vooranker" van hem overnam. Niet is gebleken dat [appellant] daarna daaraan onderhoud heeft verricht. De Afdeling volgt de minister in het standpunt dat voor alle boten geldt dat een gebrek aan onderhoud leidt tot schade. Dat dit bij een betonnen boot langer kan duren dan bij een die is gemaakt van andere materialen, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat uit een inspectierapport van de toezichthouder van RWS van 15 november 2022 volgt dat de technische toestand van de boot op dat moment matig was. De betonnen bak was zichtbaar verouderd en moest op korte termijn worden geïnspecteerd op scheuren onder de waterlijn of betonrot. De minister heeft het inspectierapport mogen betrekken bij zijn beoordeling.
10.3. Gelet op het voorgaande mocht de minister het belang van de veiligheid van het scheepvaartverkeer zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] bij een ligplaatsontheffing.
10.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 november 2022 is ongegrond.
Slotsom
12. Het hoger beroep is ongegrond. Het beroep tegen het besluit van 21 november 2022 is ongegrond. Dat betekent dat de minister de ligplaatsontheffing terecht heeft geweigerd.
Overschrijding van de redelijke termijn
13. In beginsel is de bestuursrechter in niet-punitieve zaken niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in (hoger) beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval constateert de Afdeling evenwel dat de redelijke termijn is overschreden na de periode van zes weken voor het doen van een uitspraak. Daarom beoordeelt de Afdeling ambtshalve of de redelijke termijn is overschreden en beoordeelt zij ambtshalve of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.
13.1. Bij een rechtstreeks beroep, zoals hier aan de orde, moet een redelijke termijn van in totaal vier jaar worden aangehouden. De behandeling van het beroep mag ten hoogste twee jaar duren. Voor de behandeling van een zaak in hoger beroep geldt ook als uitgangspunt dat de uitspraak moet worden gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2815, r.o. 9 en 10).
13.2. Het bezwaarschrift waarin [appellant] de minister heeft gevraagd om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter is ontvangen op 9 januari 2022. Voor de beoordeling van de redelijke termijn wordt daarom van die datum uitgegaan.
13.3. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 9 januari 2022, zijn op het moment van deze uitspraak ongeveer vier jaar en twee maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee maanden is overschreden.
13.4. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de Afdeling toe te rekenen. De Afdeling zal daarom de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) veroordelen tot betaling van € 500,00 aan [appellant] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
Proceskosten
14. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 21 november 2022, kenmerk RWS-2022/35534, ongegrond;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.