ECLI:NL:RVS:2026:1442
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning wegens vermeend bijzonder ernstig misdrijf
Betrokkene, een Iraanse staatsburger, kreeg een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die door de staatssecretaris werd ingetrokken vanwege een veroordeling voor afpersing, diefstal en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank oordeelde dat deze feiten niet samen een bijzonder ernstig misdrijf vormden en vernietigde het besluit tot intrekking.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte de lat voor bijzonder ernstig misdrijf te hoog legde en onvoldoende rekening hield met alle omstandigheden van het geval, zoals het opzettelijke karakter en de impact van het misdrijf.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank inderdaad onvoldoende alle relevante omstandigheden had meegewogen en dat het oordeel over het feitencomplex als bijzonder ernstig misdrijf niet juist was. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beoordeling waarbij het aanvullende besluit van de minister en alle beroepsgronden betrokken moeten worden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning.