ECLI:NL:RVS:2026:1442

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
202501598/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:112 AwbArt. 8:115 AwbArt. 14, vierde lid, aanhef en onder b, Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake intrekking verblijfsvergunning wegens vermeend bijzonder ernstig misdrijf

Betrokkene, een Iraanse staatsburger, kreeg een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die door de staatssecretaris werd ingetrokken vanwege een veroordeling voor afpersing, diefstal en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank oordeelde dat deze feiten niet samen een bijzonder ernstig misdrijf vormden en vernietigde het besluit tot intrekking.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank ten onrechte de lat voor bijzonder ernstig misdrijf te hoog legde en onvoldoende rekening hield met alle omstandigheden van het geval, zoals het opzettelijke karakter en de impact van het misdrijf.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank inderdaad onvoldoende alle relevante omstandigheden had meegewogen en dat het oordeel over het feitencomplex als bijzonder ernstig misdrijf niet juist was. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beoordeling waarbij het aanvullende besluit van de minister en alle beroepsgronden betrokken moeten worden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning.

Uitspraak

202501598/1/V2.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2025 in zaak nr. NL21.15898 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 september 2021, aangevuld op 30 juli 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De minister heeft daarop gereageerd.
Bij besluit van 11 juni 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Van 26 oktober 2015 tot 26 oktober 2020 was hij in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft zijn aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen en die verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 19 november 2019. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn heeft gepleegd.
1.1.    Betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat betrokkene samen met zijn mededaders het slachtoffer tegen zijn wil in heeft vastgehouden in een woning. Daarbij hebben zij het slachtoffer bedreigd met geweld en hem gedwongen tot afgifte van diverse geldbedragen en zijn pinpas. De strafrechter heeft betrokkene in het vonnis van 17 juli 2020 veroordeeld voor drie strafbare feiten, te weten afpersing, diefstal en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarbij heeft zij voor de afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving eendaadse samenloop aangenomen.
Het oordeel van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat zij het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543, zo leest, dat afzonderlijk gepleegde misdrijven die op zichzelf niet aangemerkt kunnen worden als bijzonder ernstig misdrijf, niet samen kunnen worden opgeteld om tot een bijzonder ernstig misdrijf te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat de drie bewezenverklaarde strafbare feiten dusdanig met elkaar samenhangen dat deze moeten worden beschouwd als één feitencomplex en niet moeten worden aangemerkt als afzonderlijke misdrijven, zoals aan de orde was in het arrest M.A. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of de veroordeling voor afpersing, diefstal en vrijheidsberoving kan worden aangemerkt als een bijzonder ernstig misdrijf. Vervolgens is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat betrokkene geen bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat er voor de gepleegde misdrijven een maximumstraf van twaalf jaar geldt, terwijl er ook misdrijven zijn waarvoor aanzienlijk hogere strafmaxima gelden. Uit het arrest M.A. leidt de rechtbank af dat de hiervoor genoemde bepaling uit de Kwalificatierichtlijn slechts bij uitzondering moet worden toegepast en dat deze restrictief moet worden uitgelegd. Ook heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat uit het vonnis van de strafrechter weliswaar blijkt dat er gedreigd is met geweld, maar dat uit de weergave van de bewijsmiddelen niet blijkt dat er daadwerkelijk geweld is toegepast. Verder weegt de rechtbank mee dat de door de strafrechter toegekende immateriële schadevergoeding beperkt is tot € 1.500,00. Ook overweegt de rechtbank dat de aan betrokkene opgelegde straf niet valt aan te merken als bijzonder zwaar in het licht van de in Nederland gebruikelijke strafmaat.
Het hoger beroep van de minister
3.       De minister betoogt in zijn enige grief in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf, dan wel een maximale gevangenisstraf van 30 jaar staat, onder het begrip bijzonder ernstig misdrijf kunnen vallen. De rechtbank legt daarmee in de ogen van de minister de lat te hoog.
3.1.    De Afdeling overweegt dat dit betoog op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank berust. De rechtbank heeft overwogen dat zulke aanzienlijk hogere strafmaxima een belangrijke aanwijzing zijn dat misdrijven als bijzonder ernstig moeten worden gezien. Omdat in het geval van betrokkene sprake is van een maximale straf van 12 jaar, kan volgens de rechtbank dus minder snel worden geconcludeerd dat het gaat om een misdrijf dat behoort tot de misdrijven die de rechtsorde het meest aantasten. De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat alleen misdrijven waarop een levenslange of een maximale gevangenisstraf van 30 jaar staat, als een bijzonder ernstig misdrijf kunnen worden aangemerkt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat dergelijke strafmaxima een belangrijke aanwijzing zijn dat de misdrijven waarop die strafmaxima zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als bijzonder ernstig. Dat betekent echter niet dat misdrijven met een lagere maximumstraf geen bijzonder ernstig misdrijf kunnen zijn.
3.2.    De minister betoogt wel terecht dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte vooral naar de op het misdrijf gestelde maximumstraf en de hoogte van de daadwerkelijk opgelegde straf heeft gekeken. Uit de uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1177, onder 3.5, volgt dat de duur van de gevangenisstraf een van de omstandigheden is die bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf betrokken moet worden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met alle andere omstandigheden van het geval, zoals het gedrag van betrokkene en de vraag of het misdrijf opzettelijk is gepleegd. De rechtbank heeft deze omstandigheden niet bij de beoordeling betrokken. Dit klemt temeer, nu de minister in het aanvullende besluit van 30 juli 2024 naar aanleiding van het arrest M.A. op al deze omstandigheden is ingegaan en zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. Daarbij is de minister ingegaan op het persoonlijke gedrag van betrokkene, de aard van het misdrijf, het feit dat het misdrijf opzettelijk is gepleegd, de impact van het misdrijf, de opgelegde straf, de gekozen strafprocedure, de omvang van de veroorzaakte schade en de vraag of er verzachtende of verzwarende omstandigheden bestaan.
3.3.    De grief slaagt.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
4.       Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is (artikel 8:112, eerste lid, van de Awb). Omdat dit hoger beroep, gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 3 tot en met 3.3 heeft overwogen, gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van betrokkene inhoudelijk beoordelen.
5.       Betrokkene betoogt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verschillende strafbare feiten als één feitencomplex kunnen worden beschouwd en dat de minister daarom op grond van deze gezamenlijke feiten kan beoordelen of dat feitencomplex bijzonder ernstig is.
5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het arrest M.A. volgt dat afzonderlijk gepleegde misdrijven die op zichzelf niet aangemerkt kunnen worden als bijzonder ernstig misdrijf, niet samen kunnen worden opgeteld om tot een bijzonder ernstig misdrijf te komen. De rechtbank heeft echter ook terecht overwogen dat de minister zich in dit geval terecht op het standpunt stelt dat de gepleegde strafbare feiten zodanig met elkaar samenhangen dat deze één feitencomplex vormen en geen afzonderlijke misdrijven als bedoeld in het arrest M.A. Betrokkene heeft de strafbare feiten immers zo goed als gelijktijdig gepleegd en deze hadden allemaal tot doel om het geld van het slachtoffer te bemachtigen. Ook in het feit dat de strafrechter met betrekking tot de afpersing en de wederrechtelijke vrijheidsberoving eendaadse samenloop heeft aangenomen ziet de Afdeling een aanwijzing dat het hier om één feitencomplex gaat. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, onder 2.8, volgt dat het bij eendaadse samenloop vooral aankomt op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren, dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan worden gemaakt. Hoewel de leerstukken van samenloop in het strafrecht een ander doel dienen dan artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, is het gegeven dat de strafrechter eendaadse samenloop heeft aangenomen voor de afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving wel een aanwijzing dat het in ieder geval voor die strafbare feiten om één feitencomplex gaat. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande dan ook terecht overwogen dat moet worden beoordeeld of het gehele feitencomplex een bijzonder ernstig misdrijf is.
5.2.    De grief faalt.
Conclusie
6.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft het besluit van 11 juni 2025 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 19 februari 2025. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, wordt ook dit besluit vernietigd. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de zaak op grond van artikel 8:115 van Pro de Awb naar de rechtbank terug te wijzen om door haar te worden behandeld met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, omdat de rechtbank het aanvullende besluit van 30 juli 2024 niet kenbaar bij haar beoordeling heeft betrokken, en omdat zij niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de andere beroepsgronden van betrokkene dan de beroepsgrond die verband houdt met de grieven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2025 in zaak nr. NL21.15898;
IV.     wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
1021