AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling eigen bijdrage opvang onjuist, beroep niet-ontvankelijk verklaard
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het COa van 25 november 2022 waarin de eigen bijdrage voor opvangkosten werd vastgesteld op € 5.803,33. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat het beroep bij de rechtbank niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat tegen een besluit over de eigen bijdrage bezwaar moet worden gemaakt en geen rechtstreeks beroep mogelijk is. De rechtbank had het beroep als bezwaar moeten behandelen en door moeten sturen naar het COa.
Hoewel partijen werden gevraagd akkoord te gaan met inhoudelijke behandeling, wenste appellant de bezwaarfase te herstarten. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en verwees het beroepschrift terug naar het COa voor behandeling als bezwaar.
Daarnaast werd het COa veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant wegens het opnemen van een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over de eigen bijdrage is niet-ontvankelijk verklaard en terugverwezen naar het COa voor behandeling als bezwaar.
Uitspraak
202303214/1/V1.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 mei 2023 in zaak nr. 22/7257 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2022 heeft het COa de hoogte van de eigen bijdrage van appellant in de kosten van de opvang vastgesteld op € 5.803,33.
Bij uitspraak van 1 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L.A. Fischer, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.
Het COa en appellant hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Appellant heeft tegen het besluit van 25 november 2022 rechtstreeks beroep ingesteld. Hij heeft daarmee gevolg gegeven aan de rechtsmiddelenclausule onder dat besluit, die vermeldt dat tegen het besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:139, onder 4.1, staat tegen een besluit tot het vaststellen van een eigen bijdrage in de kosten van de opvang bezwaar open en geen rechtstreeks beroep bij de rechtbank. De rechtbank had daarom het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroepschrift moeten aanmerken als een bezwaarschrift en dat op grond van artikel 6:15 vanPro de Awb, ter behandeling moeten doorsturen naar het COa.
1.2. De Afdeling heeft bij brief van 16 januari 2026 partijen gevraagd of zij desondanks akkoord gaan met de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Appellant heeft bij brief van 26 januari 2026 laten weten dat hij een herstart van de bezwaarfase wenst.
2. Het hoger beroep is gegrond. De grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk. De Afdeling zal het beroepschrift van appellant doorsturen aan het COa voor verdere behandeling als bezwaarschrift (zie artikel 6:15 vanPro de Awb). Het COa moet de proceskosten vergoeden, omdat het een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het besluit heeft opgenomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 mei 2023 in zaak nr. 22/7257;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
IV. veroordeelt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.