ECLI:NL:RVS:2026:148
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 26 maart 2025 is afgewezen. Tevens is een ambtshalve verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geweigerd. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 28 november 2025 het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 14 januari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen krijgt gedurende deze periode. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter J.M. Willems en griffier J.W. Prins.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en krijgt opvang en verstrekkingen; minister moet proceskosten vergoeden.