ECLI:NL:RVS:2026:15
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Appellant heeft bij besluit van 7 december 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 21 december 2023 opnieuw bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep richtte appellant zich echter niet tegen de inhoud van de uitspraak van de rechtbank en gaf hij geen motivering waarom deze uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van mr. H.G. Sevenster, op 7 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog tegen de uitspraak van de rechtbank.