AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van Afsluitingsregeling bevestigd in hoger beroep
Appellanten, een Armeens gezin bestaande uit ouders en drie kinderen, vroegen een verblijfsvergunning regulier aan op grond van de Afsluitingsregeling. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat zij zich langer dan drie maanden onttrokken hadden aan toezicht van de vreemdelingenketen, waardoor zij niet aan vereiste c van de regeling voldeden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond en vernietigde het besluit, maar de Raad van State bevestigt in hoger beroep dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe rechtsvragen die beantwoording behoefden.
Daarnaast onderzocht de Afdeling het beginsel van non-refoulement in het licht van recente jurisprudentie van het Hof van Justitie. De minister had een deugdelijke beoordeling gemaakt dat appellanten bij terugkeer naar Armenië geen reëel risico lopen op schending van fundamentele rechten, ook rekening houdend met medische omstandigheden van de moeder en dochter.
De Afdeling oordeelt dat de minister terecht het terugkeerbesluit kan uitvoeren zonder het non-refoulementbeginsel te schenden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.
Uitspraak
202302869/1/V1.
Datum uitspraak: 19 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 7 april 2023 in zaak nr. 20/9630 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellanten hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellanten zijn een vader en een moeder en hun dochter, geboren op [geboortedatum A] 2006, en twee zoons, geboren op [geboortedatum B] 2010 en [geboortedatum C] 2014. Zij hebben allemaal de Armeense nationaliteit. Zij hebben een aanvraag ingediend om hun een verblijfvergunning regulier op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (Afsluitingsregeling) te verlenen.
De afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling
2. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat appellanten zich volgens hem langer dan een aangesloten periode van drie maanden, namelijk van 21 september 2016 tot 26 januari 2017, hebben onttrokken aan het toezicht van de IND, de Dienst Terugkeer & Vertrek, het COa of de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Zie vereiste c van de Afsluitingsregeling in paragraaf B9/6.5 van de Vc 2000.
Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de periode van drie jaar om in beeld te komen bij de Vreemdelingenketen, die hij heeft genoemd in zijn brief van 27 maart 2015 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/15, 19 637, nr. 1968), niet op appellanten van toepassing is. Appellanten zijn namelijk door hun eigen toedoen uit beeld geraakt en niet alleen door het eindigen van hun verblijfsrechtelijke procedure, aldus de minister.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet voldoen aan vereiste c van de Afsluitingsregeling en de in de Kamerbrief genoemde periode van drie jaar niet op hen van toepassing is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat meerdere van de door appellanten aangevoerde zaken, waarin de minister wel toepassing heeft gegeven aan de in de Kamerbrief genoemde periode, niet gelijk zijn aan de zaak van appellanten.
4. Wat appellanten hierover aanvoeren, leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3109, onder 8.1, over vereiste c van de Afsluitingsregeling). Het hoger beroep biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Het beginsel van non-refoulement
5. De Afdeling heeft de minister gevraagd of hij, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, punten 38 tot en met 43, aanleiding ziet om een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken voor de uitvoering van het over appellanten genomen terugkeerbesluit.
5.1. De Afdeling stelt vast dat de minister in overeenstemming met artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn en het arrest Ararat, punt 52, heeft onderzocht of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen uitvoering van het terugkeerbesluit. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat appellanten bij terugkeer naar Armenië een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met de artikelen 4 en 19, tweede lid, van het EU Handvest.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit wat uit het dossier naar voren komt en de verklaringen van appellanten, niet volgt dat de eerder in de asielprocedure gemaakte refoulementbeoordeling voor appellanten achterhaald is. De asielprocedure ging over de ouders, de dochter en de oudste zoon. In de asielprocedure heeft de minister niet geloofwaardig geacht dat de vader problemen heeft gehad vanwege zijn betrokkenheid bij de Armeense volkspartij en de moeder vanwege haar etnische afkomst. De afwijzingen van de asielaanvragen staan in rechte vast.
Waar het gaat om de jongste zoon overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de minister betoogt, is de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt tot gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat, punten 35 en 38, volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. De minister mag bovendien niet van een vreemdeling verwachten dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Zie het arrest Ararat, punten 40 en 41, en het arrest van het Hof van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punten 74 en 75. De minister stelt zich echter deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat uit het dossier niet naar voren komt dat de jongste zoon in Armenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 vanPro het EU Handvest. In hun reactie op de schriftelijke inlichtingen van de minister bestrijden appellanten dit standpunt ook niet.
Waar het gaat om de medische omstandigheden van de moeder en de dochter roept de minister de vraag op of hij gezondheidsproblemen van een vreemdeling moet betrekken in zijn beoordeling van een risico op refoulement als bedoeld in het arrest Ararat. Zoals de minister onderkent kunnen gezondheidsproblemen van een vreemdeling in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar een bepaald land. Dit volgt bijvoorbeeld uit de arresten van het Hof van 18 december 2014, M’Bodj, ECLI:EU:C:2014:2452, punten 39 tot en met 41, en het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, paragrafen 172 tot en met 193. Gelet daarop zal de minister om het beginsel van non-refoulement in een reguliere procedure te waarborgen, ook in aanmerking moeten nemen of eventuele gezondheidsproblemen van een vreemdeling zich verzetten tegen uitzetting van die vreemdeling naar een bepaald land. De minister heeft dat gedaan voor de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter in deze zaak. Daarbij heeft de minister terecht aangenomen dat uitzonderlijke omstandigheden als hierboven bedoeld niet volgen uit de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter. Uit de door hen doorlopen procedures voor uitstel van vertrek volgt dat zij in Armenië niet in een medische noodsituatie terecht zullen komen en appellanten niet met recente stukken hebben onderbouwd dat de moeder en de dochter daar wel in een medische noodsituatie terecht zullen komen.
De Afdeling is van oordeel dat de minister een deugdelijke refoulementbeoordeling heeft verricht. Appellanten geven in hun reactie geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt.
Conclusie
6. Omdat appellanten zich alleen verzetten tegen een deel van de overwegingen van de rechtbank en niet tegen haar beslissing, volstaat de Afdeling met een ongegrondverklaring van het hoger beroep. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.