ECLI:NL:RVS:2024:3109
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning langdurig verblijvende Armeense minderjarige wegens te lang buiten toezicht
De vreemdeling, van Armeense nationaliteit en in Nederland geboren, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling voor langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat de vreemdeling en zijn moeder zich langer dan drie maanden onttrokken hadden aan het toezicht van vreemdelingenrechtelijke instanties door zonder opgave van adres de opvang te verlaten.
De rechtbank had dit besluit vernietigd en geoordeeld dat de minister ten onrechte vereiste c van de regeling had toegepast, omdat de vreemdeling en zijn moeder binnen drie jaar na het beëindigen van de verblijfsprocedure weer contact hadden gezocht met instanties. De minister stelde echter dat zij al vóór het einde van de verblijfsprocedure uit beeld waren geraakt, waardoor de langere termijn van drie jaar niet van toepassing was.
De Raad van State oordeelt dat de vreemdeling en zijn moeder door eigen handelen langer dan drie maanden uit beeld zijn geweest en dat de minister terecht de weigering op deze grond baseerde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie wezenlijk verschilt van andere gevallen waarin de regeling wel werd toegepast.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.