ECLI:NL:RVS:2026:1696
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering omgevingsvergunning wegens onvoldoende motivering onevenredige aantasting landschap
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van appellanten tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht behandeld. Het college had op 4 januari 2024 een omgevingsvergunning geweigerd voor een waterpartij op grond van artikel 40.2 van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied West", dat weigering toestaat bij blijvend onevenredige aantasting van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden.
De Afdeling oordeelde in een tussenuitspraak van 5 november 2025 dat het college het besluit onvoldoende had gemotiveerd, omdat niet was aangetoond dat de waterpartij tot een blijvend onevenredige aantasting zou leiden. Het college heeft daarop op 30 december 2025 een aanvullende motivering gegeven, ondersteund door een landschapskundig advies, waarin werd gesteld dat de waterpartij een gebiedsvreemd element vormt en nadelig is voor vee en biodiversiteit.
Appellanten betoogden dat de waterpartij geen zichtbare aantasting oplevert en juist een positieve bijdrage kan leveren aan natuur en biodiversiteit. De Afdeling vond de aanvullende motivering wederom onvoldoende, omdat een enkele aantasting niet volstaat voor weigering en het college niet aannemelijk had gemaakt dat de aantasting blijvend en onevenredig is.
De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat het college opnieuw moet beslissen, waarbij de omgevingsvergunning moet worden verleend. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld en dat het griffierecht aan appellanten wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van 4 januari 2024 wordt vernietigd en het college moet de omgevingsvergunning verlenen.