ECLI:NL:RVS:2026:1704
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische noodzaak en woningnood
Appellante heeft een urgentieverklaring aangevraagd wegens medische redenen en de slechte staat en beperkte grootte van haar woning in Amsterdam, waar zij met haar partner en vier minderjarige kinderen woont. De woning kampt met vocht- en schimmelproblemen, die volgens haar de gezondheid van twee kinderen negatief beïnvloeden. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af op basis van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, met name de algemene weigeringsgronden dat er geen urgent huisvestingsprobleem is, het probleem redelijkerwijs te voorkomen was, en dat het probleem kan worden opgelost met een voorliggende voorziening. Ook werd de hardheidsclausule niet toegepast omdat de situatie niet uniek of acuut levensbedreigend is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd waarom de rechtbank onjuist zou hebben geoordeeld over de weigeringsgronden. De medische stukken tonen geen uitzonderlijke noodsituatie of acuut levensbedreigend medisch probleem aan. Het college heeft bovendien voldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen, maar het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling in Amsterdam weegt zwaarder.
De Afdeling wijst ook de bezwaren tegen de toepassing van het Kinderrechtenverdrag en het EVRM af, omdat deze verdragsbepalingen geen recht op woonruimte garanderen en het college binnen de grenzen van het recht heeft gehandeld. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.