ECLI:NL:RVS:2026:1785
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens vermeend ontbreken belang
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 14 november 2025 werd afgewezen. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant en zijn gemachtigde niet op de zitting verschenen en de rechtbank aannam dat appellant geen belang meer had bij de procedure.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met het hoor en wederhoor-beginsel door de gemachtigde niet in de gelegenheid te stellen te reageren op een mob-melding van de minister dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken. Bovendien bleek uit een stuk na de sluiting van het onderzoek dat er wel degelijk contact was tussen appellant en zijn gemachtigde.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.