Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1785

Raad van State

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.000422
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:115 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens vermeend ontbreken belang

Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 14 november 2025 werd afgewezen. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant en zijn gemachtigde niet op de zitting verschenen en de rechtbank aannam dat appellant geen belang meer had bij de procedure.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met het hoor en wederhoor-beginsel door de gemachtigde niet in de gelegenheid te stellen te reageren op een mob-melding van de minister dat appellant met onbekende bestemming was vertrokken. Bovendien bleek uit een stuk na de sluiting van het onderzoek dat er wel degelijk contact was tussen appellant en zijn gemachtigde.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

BRS.26.000422
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 januari 2026 in zaak nr. NL25.57229 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K. Mohasselzadeh, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van appellant afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld. De gemachtigde van appellant heeft verzocht om aanhouding van de zitting bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Appellant en zijn gemachtigde zijn vervolgens niet verschenen op de zitting bij de rechtbank, omdat de gemachtigde op 13 januari 2026 zes keer heeft geprobeerd contact te leggen met appellant, maar hem niet kon bereiken en zij ook niet wist waar hij verbleef. De minister heeft de rechtbank tijdens de behandeling op de zitting op 14 januari 2026 meegedeeld dat appellant op 9 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (mob-melding).
2.        Appellant komt met zijn enige grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat appellant en zijn gemachtigde niet op de zitting zijn verschenen, terwijl appellant wel op de hoogte had kunnen zijn van de zitting. Ook heeft de gemachtigde voorafgaand aan de zitting laten weten geen contact met appellant te kunnen krijgen. Ten slotte heeft de rechtbank belang gehecht aan de mob-melding van de minister. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7. Uit die uitspraak volgt dat ervan mag worden uitgegaan dat een vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen, zolang de gemachtigde contact met hem heeft. Uit recente informatie van de gemachtigde van na de mob-melding moet blijken dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure.
2.1.        In dit geval heeft de minister tijdens de behandeling van het beroep op de zitting bij de rechtbank de mob-melding overgelegd. De gemachtigde van appellant was niet aanwezig bij deze zitting en heeft daardoor niet op deze mob-melding kunnen reageren, terwijl zij wel in de gelegenheid gesteld had moeten worden om recente informatie van na de mob-melding over te leggen waaruit kon blijken dat zij nog contact met appellant had over de procedure. De rechtbank heeft het onderzoek ook niet heropend om de gemachtigde alsnog in de gelegenheid te stellen op de mob-melding te reageren. Naar het oordeel van de Afdeling had zij dat in het kader van hoor en wederhoor wel moeten doen. Te meer omdat de Afdeling in het rechtbankdossier een stuk aantrof van 15 januari 2026, van na de sluiting van het onderzoek bij de rechtbank, waarin de gemachtigde op de mob-melding heeft gereageerd en zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij contact met hem heeft. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep en dat zij het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.2.        De grief slaagt.
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank. Omdat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld, wijst de Afdeling de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 januari 2026 in zaak nr. NL25.57229;
III.        wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
985