De appellant, een gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht om compensatie voor een afgeloste schuld van €6.821,50 aan ABN Amro. Deze schuld betrof een flexibel krediet dat per 1 januari 2022 werd geblokkeerd. De minister weigerde compensatie omdat niet was gebleken dat de schuld vóór de blokkering en in ieder geval vóór 1 juni 2021 opeisbaar was geworden, zoals vereist volgens de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de compensatie weigerde, omdat uit de kredietvoorwaarden en de gegevens van ABN Amro bleek dat er geen betalingsachterstanden waren en dat de schuld niet eerder opeisbaar was. De appellant stelde dat de blokkering van het krediet per 1 januari 2022 duidde op betalingsachterstanden en dat de rechtbank de minister had moeten verplichten het dossier bij ABN Amro op te vragen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond de gronden van appellant onvoldoende nieuw en sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank. ABN Amro bevestigde dat er op 31 mei 2021 geen betalingsachterstand was en dat er geen vorderingen waren opgeëist. De Afdeling zag geen reden om de minister tot nader onderzoek te verplichten en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister terecht weigert de afgeloste schuld te compenseren wegens het ontbreken van opeisbaarheid vóór 1 juni 2021.
Uitspraak
202501372/1/A2.
Datum uitspraak: 23 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 27 januari 2025 in zaak nr. 24/31 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Openbare zitting gehouden op 23 maart 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek
Jurist: mr. S. de Poorter
Verschenen:
Via videoverbinding: [appellant], bijgestaan door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat in Best;
de minister van Financiën, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. J. Rhebergen.
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister) geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] terug te betalen.
Bij besluit van 18 december 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 december 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om compensatie voor de door hem inmiddels afgeloste geldschuld van € 6.821,50 aan ABN Amro. De minister heeft geweigerd de schuld te compenseren. De afgeloste schuld is een flexibel krediet bij een bank dat met ingang van 1 januari 2022 is geblokkeerd. Volgens de productvoorwaarden die onderdeel uitmaken van de kredietovereenkomst is de hoofdsom opeisbaar als sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden en betaling ondanks een ingebrekestelling uitblijft. Volgens de minister is niet gebleken dat de afgeloste schuld eerder dan de blokkering ervan, en in ieder geval vóór 1 juni 2021, opeisbaar is geworden. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor het overnemen van een schuld, opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Aan deze voorwaarden moet ook zijn voldaan als om compensatie van een al afgeloste schuld wordt verzocht. Dat staat in artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de schuld terecht niet heeft gecompenseerd. Uit de voorwaarden van het krediet blijkt dat het krediet vervroegd opeisbaar is als de kredietnemer twee maanden achterstallig is in de betaling van een maandtermijn, door de bank in gebreke is gesteld en betaling toch uitblijft. Uit de gegevens die de minister heeft ontvangen van ABN Amro blijkt dat geen betalingsachterstanden geregistreerd waren. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt niet dat dat er wel betalingsachterstanden zijn geweest of dat de bank hem in gebreke heeft gesteld. Indien en voor zover de hoofdsom opeisbaar is geworden met de blokkering van het flexibel krediet per 1 januari 2022, is dat volgens de rechtbank in ieder geval niet voor 1 juni 2021 geweest. De wetgever heeft bewust gekozen voor het stellen van de voorwaarde van opeisbaarheid. Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is daarom geen ruimte om artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het flexibel krediet per 1 januari 2022 is geblokkeerd, wat volgens hem alleen kan betekenen dat er betalingsachterstanden waren. [appellant] heeft meerdere keren zijn dossier opgevraagd bij ABN Amro om de opeisbaarheid aan te kunnen tonen, maar ABN Amro heeft dit niet verstrekt. Omdat hij in bewijsnood verkeert, had de rechtbank de minister moeten opdragen om zijn dossier bij ABN Amro op te vragen. [appellant] stelt verder dat zijn situatie een bijzondere situatie is die niet is voorzien door de wetgever.
4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 en 14 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan toe dat ABN Amro op 15 februari 2023 aan SBN heeft medegedeeld dat [appellant] op 31 mei 2021 geen betalingsachterstand had, dat hij binnen de limiet van het flexibel krediet heeft gebankierd en dat er geen vorderingen zijn opgeëist. Er is dus geen sprake van een betalingsachterstand die voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. Voor de rechtbank bestond dan ook geen aanleiding om de minister verder navraag te laten doen bij ABN Amro. De rechtbank is ten slotte, gelet op de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 18-21, terecht niet toegekomen aan toetsing van het besluit van 18 december 2023 aan het evenredigheidsbeginsel.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.