Appellante, een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van haar private geldschuld bij de Rabobank. De minister wees dit verzoek af omdat de schuld na 31 mei 2021 is ontstaan en opeisbaar werd, waardoor deze niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Appellante stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met haar kwetsbare positie en het burgerperspectief, en dat de geringe termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat appellante professionele rechtsbijstand had en geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte die het te laat indienen rechtvaardigen. De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
Uitspraak
202407738/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2024 in zaak nr. 24/1938 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om haar private geldschuld over te nemen afgewezen.
Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.R.G. Keijzer en mr. T. Kluizenaar, beiden advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein en mr. J. Rhebergen, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek op de zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op niet door hem ontvangen stukken.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Geen van de partijen heeft (binnen de gestelde termijn) verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. De minister heeft geweigerd haar schuld bij de Rabobank over te nemen, omdat de schuld na 31 mei 2021 is ontstaan en opeisbaar is geworden. De schuld komt daarom volgens de minister op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen niet voor vergoeding in aanmerking.
2. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep te laat is ingesteld. Daartoe heeft zij overwogen dat het bestreden besluit bekend is gemaakt op 13 februari 2024, zodat de laatste dag van de beroepstermijn 26 maart 2024 was. Uit het stempel op de envelop blijkt echter dat het beroepschrift op 27 maart 2024 per post is verzonden. Volgens de rechtbank heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift op 26 maart 2024 ter post is bezorgd. Daarnaast is niet gebleken dat [appellante] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij het beroepschrift te laat heeft ingediend. Daarbij wijst de rechtbank erop dat zij beschikt over professionele rechtsbijstand.
Oordeel van de Afdeling
4. [appellante] betoogt de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is. Volgens haar moet de bestuursrechter het burgerperspectief als uitgangspunt nemen en mag meer burgerresponsiviteit van de rechtbank verwacht worden. Ze wijst erop dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire, een kwetsbare gezondheid heeft en haar weerbaarheid minimaal is. Ook wijst ze erop dat het gaat om een zeer geringe overschrijding van de geldende beroepstermijn. Zij vindt het daarom niet gerechtvaardigd dat haar zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
4.1. In hoger beroep is niet in geschil dat het beroepschrift bij de rechtbank te laat is ingediend.
4.2. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kan worden verlangd.
Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.
Als de indiener wordt bijgestaan door een (professionele) rechtshulpverlener, komt het handelen van de rechtshulpverlener in beginsel voor risico van de indiener. Persoonlijke omstandigheden van de rechtshulpverlener kunnen ertoe leiden dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend. Bij een professionele rechtshulpverlener moet het dan gaan om (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden.
4.3. Uit wat [appellante] naar voren heeft gebracht, blijkt niet dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat zij geen goede reden heeft aangevoerd voor het te laat indienen van het beroepschrift. Zonder af te willen doen aan de zwaarte van de kwetsbare positie van [appellante] als gedupeerde van de toeslagenaffaire, is dat in dit geval onvoldoende om te concluderen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het gaat hier immers niet om bijzondere omstandigheden die haar doenvermogen hebben aangetast of belemmerd, waardoor haar geen verwijt treft dat ze te laat beroep heeft ingesteld.
4.4. Daargelaten dat het bestaande wettelijke kader geen ruimte laat om een geringe termijnoverschrijding generiek verschoonbaar te achten, wordt [appellante] bovendien in dit geval al sinds de aanvraag bijgestaan door dezelfde professionele rechtsbijstandverlener die de proceshandelingen (heeft) verricht. Dat op het kantoor van de gemachtigde intern iets is misgegaan bij het verzenden van het beroepschrift via Zivver, is op zichzelf beschouwd geen (heel) bijzondere omstandigheid die leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Van een professionele rechtshulpverlener mag onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt, eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om op nader aan te voeren gronden beroep in te stellen en in geval van een capaciteitstekort inspanningen verricht om dit op te vangen.
4.5. Aan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6170, waar [appellante] naar verwijst, komt niet de door haar gewenste betekenis toe. In deze uitspraak had een bewindvoerder, ondanks herhaalde verzoeken van de betrokkene, nagelaten tijdig een aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in te dienen, terwijl alleen de bewindvoerder gerechtigd was een dergelijke aanvraag in te dienen. Die situatie doet zich hier niet voor.
4.6. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.