Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1998

Raad van State

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
BRS.25.002390
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering

De minister van Asiel en Migratie wees op 9 januari 2025 de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had overwogen dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene, die zwakbegaafd is, gedetailleerdere verklaringen over zijn seksuele geaardheid moest geven. De minister had onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen van betrokkene bij het doen van verklaringen.

De Raad van State bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit waarbij de minister de overgelegde stukken betrekt en betrokkene indien nodig op een aangepaste wijze opnieuw hoort.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het afwijzingsbesluit en wijst het hoger beroep van de minister af.

Uitspraak

BRS.25.002390
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 november 2025 in zaak nr. NL25.5781 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de door betrokkene overgelegde brieven van een psychiater van Kleur GGZ en van zijn casemanager bij Stichting Here to support / Queer to support volgt namelijk dat hij wegens zijn zwakbegaafdheid moeite heeft met lange zinnen, abstract en complex denken, het verwerken van veel informatie tegelijk en het onder woorden brengen van complexe gevoelens en gedachten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de tegenwerpingen van de minister dat betrokkene summier, oppervlakkig en wisselend over zijn seksuele geaardheid heeft verklaard, mogelijk juist samenhangen met zijn zwakbegaafdheid. Zij heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom gedetailleerdere verklaringen van betrokkene verwacht mochten worden en het besluit daarom terecht vernietigd. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen, waarin hij de door betrokkene overgelegde stukken betrekt en hem indien nodig op een aangepaste manier opnieuw hoort. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:14.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
915-1088