AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om wraking van staatsraad afgewezen wegens ontbreken van persoonlijke wrakingsgrond
Verzoeker heeft op 8 april 2026 tijdens de zitting verzocht om wraking van de staatsraad die belast is met de behandeling van zijn zaak. Hij stelde dat de staatsraden geen kennis hebben van het EU-recht en dat het EU-recht niet wordt nageleefd, en dat van de voorzitter en staatsraden niet verwacht kan worden dat zij elkaar tegenspreken.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een wrakingsverzoek moet zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de specifieke behandelend staatsraad kunnen aantasten. Het verzoek van verzoeker betrof echter het gehele college en niet de persoon van de behandelend staatsraad.
Daarom is het wrakingsverzoek geen verzoek om wraking in de zin van de wet en kan het niet in behandeling worden genomen. De Afdeling liet het verzoek buiten behandeling en bevestigde hiermee de vaste rechtspraak dat wraking alleen kan worden toegewezen indien sprake is van een persoonlijke wrakingsgrond.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten omdat het niet specifiek gericht is tegen de behandelend staatsraad.
Uitspraak
202504010/2/A3.
Datum beslissing: 14 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in Ooij, gemeente Berg en Dal,
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 8 april 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking in de zaak nr. 202504010/1/A3. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn (ongedateerde) schriftelijke wrakingsverzoek, dat bij de Afdeling is ingekomen op de ochtend van 8 april 2026, maar de behandelend staatsraad ten tijde van de zitting nog niet had bereikt. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. M. Soffers belast.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 vanPro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c en d, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college of het betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij in andere zaken bij de Afdeling geen gelijk heeft gekregen, dat de staatsraden van de Raad van State geen kennis hebben van het recht van de Europese Unie, dat het recht van de Europese Unie niet wordt nageleefd en dat van de voorzitter en staatsraden van de Raad van State niet kan worden verwacht dat zij elkaar tegenspreken.
4. De Afdeling laat het verzoek om wraking buiten behandeling. Het verzoek heeft namelijk niet specifiek betrekking op de persoon van de staatsraad die belast is met de behandeling van het hoger beroep van verzoeker. Het verzoek is, gelet op de formulering, gericht tegen de gehele Afdeling. Het is echter vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de beslissingen van de Afdeling van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059 en van 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1511) dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijke college als zodanig betreffen. Daarom is het verzoek van verzoeker geen verzoek om wraking in de zin van de wet en kan dit daarom niet in behandeling worden genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.