ECLI:NL:RVS:2026:2031
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak inzake vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft bij brief van 25 maart 2026 een verzoek tot herziening ingediend van de uitspraak van 12 januari 2026 in een bestuursrechtelijke zaak over vreemdelingenrecht. Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat verzoeker niet op de hoogte was van een laissez-passeraanvraag van 30 oktober 2024, wat relevant zou zijn voor de beoordeling van het zicht op uitzetting en het voortvarend handelen van de minister.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de bestuursrechter een onherroepelijke uitspraak slechts kan herzien op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak bestonden maar pas daarna bekend werden. In dit geval was de vermeende nieuwe omstandigheid al bekend bij verzoeker op 16 december 2025, toen de minister een verweerschrift indiende in een vervolgberoep.
Daarmee voldoet het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling wijst het verzoek tot herziening af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.