ECLI:NL:RVS:2026:2094
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- B.P. Vermeulen
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Beoordeling openbaarmaking documenten Universiteit Leiden op grond van de Wob en Woo
Appellante verzocht het College van Bestuur van de Universiteit Leiden om openbaarmaking van diverse documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), waaronder documenten over publiek-private activiteiten, projectbeheer, facturering en correspondentie met derden. Het college maakte de meeste documenten openbaar, met uitzondering van persoonsgegevens, interne beleidsopvattingen en financiële gegevens die de economische belangen van de universiteit zouden schaden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk, vernietigde het besluit van 6 april 2022 deels en verklaarde het beroep tegen het aanvullende besluit van 23 december 2022 ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de uitzonderingsgrond voor financiële belangen niet van toepassing was op de tarieflijst en de Regeling Werken voor Derden, en dat correspondentie met advocaten en conceptadviezen onterecht niet openbaar waren gemaakt.
De Afdeling oordeelde dat de financiële belangen van de universiteit bij openbaarmaking van de tarieven wel degelijk in het geding zijn en dat de uitzonderingsgrond terecht is toegepast. Ook bevestigde zij dat correspondentie met advocaten en conceptadviezen die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten niet openbaar hoeven te worden gemaakt. De Afdeling verwierp de stellingen over onvoldoende zoekslagen en de proceskostenvergoeding voor het niet-tijdig beslissen.
Ten slotte stelde de Afdeling vast dat de redelijke termijn met minder dan een half jaar was overschreden, wat geheel aan de Afdeling toe te rekenen is, en kende zij een forfaitaire immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.