ECLI:NL:RVS:2024:5388
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake herbeoordeling kinderopvangtoeslag en dwangsommen
Appellant verzocht op 5 februari 2021 om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig een besluit nam, stelde appellant de Dienst in gebreke en startte hij een beroep bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde termijnen en dwangsommen vast voor de Dienst Toeslagen om een besluit te nemen.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak van de rechtbank, stellende dat de termijnen en dwangsommen onvoldoende rekening hielden met de spoedeisendheid en het leed dat hij en zijn gezin hadden ondervonden door de toeslagaffaire. De Dienst Toeslagen nam op 16 februari 2024 een besluit waarin het recht op kinderopvangtoeslag werd herbeoordeeld en een compensatie van €44.490,00 werd toegekend.
De Afdeling oordeelde dat appellant geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat het doel van het beroep – het verkrijgen van een besluit – inmiddels was bereikt. Ook het argument van appellant dat een kortere beslistermijn hem meer dwangsommen zou opleveren, werd verworpen. Daarnaast was niet aannemelijk gemaakt dat appellant schade had geleden die vergoeding rechtvaardigt.
Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling veroordeelde de Dienst Toeslagen tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief het griffierecht. Hiermee is de procedure definitief afgesloten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de Dienst Toeslagen wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.