202401432/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amersfoort,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 januari 2024 in zaak nr. 23/680 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Amersfoort.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft de burgemeester besloten om met toepassing van een last onder bestuursdwang de woning aan de [locatie] in Amersfoort te sluiten voor een periode van drie maanden.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester en derde-belanghebbende partij Stichting De Alliantie hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2025, waar de burgemeester van Amersfoort, vertegenwoordigd door mr. A. Braxhoven, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woonde in de woning aan de [locatie] te Amersfoort. Hij huurde de woning van Stichting De Alliantie. Op 12 juni 2022 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen. Hieruit blijkt dat de politie op 3 april 2022 in de woning een handelshoeveelheid harddrugs heeft aangetroffen, namelijk in totaal 15,5 gram cocaïne en 4.09 gram heroïne. Verder heeft de politie een groot contant geldbedrag in verschillende coupures aangetroffen, alsmede drie mobiele telefoons, meerdere lege gripzakjes en een weegschaaltje. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester besloten om met toepassing van een last onder bestuursdwang de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregel Sluiting lokalen en woning op grond van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid gemeente Amersfoort) met ingang van 17 augustus 2022 voor drie maanden tot en met 16 november 2022 te sluiten. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de burgemeester met zijn besluit van 20 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten.
Beoordeling van het hoger beroep
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de woningsluiting onevenredig is. Hiertoe voert [appellant] aan dat op het moment van de woningsluiting de betreffende overtreding al vier maanden was beëindigd en de openbare orde was hersteld. Het laten verstrijken van een dusdanige lange periode is niet verenigbaar met de aard en het doel van de woningsluiting. Het doel van de herstelmaatregel wordt daardoor niet althans onvoldoende bereikt. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de woningsluiting was reeds voltooid op het moment dat de melding vanuit de politie bij de burgemeester binnen kwam, hooguit enkele dagen na de vondst van de harddrugs op 3 april 2022. De omstandigheid dat [appellant] pas op 11 mei 2022 door de politie is gehoord, is geen rechtvaardiging voor het tijdsverloop, aangezien hij in een veel eerder stadium had kunnen worden gehoord.
2.1. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, luidt:
"De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is."
2.2. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep. 2.3. Zoals in voornoemde uitspraak is overwogen, kan tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
2.4. De politie heeft de handelshoeveelheid harddrugs op 3 april 2022 in de woning aangetroffen. De woning is vanaf 17 augustus 2022 voor de duur van drie maanden gesloten geweest, dat is ruim vier maanden nadat de handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen.
Ter onderbouwing van de woningsluiting heeft de burgemeester in zijn besluit op bezwaar aangegeven dat het doel van de sluitingsmaatregel, namelijk om de bekendheid van de woning als drugspand in het drugscircuit te doorbreken, de loop naar het pand eruit te halen en om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning te voorkomen, op het moment van de sluiting nog steeds aan de orde en relevant was. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat het hier niet gaat om een eerste incident of signaal over harddrugs in de woning en dat de overlast al gedurende een langere periode aan de gang is. [appellant] is in 2021 reeds veroordeeld voor het bezit van harddrugs in deze woning. De burgemeester wijst op een aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie van 7 december 2022, waaruit blijkt dat er in 2021 en 2022 meerdere meldingen zijn ontvangen van buurtbewoners met betrekking tot vermoedens van drugshandel vanuit de woning van [appellant]. Volgens de buurtbewoners kwamen bezoekers veelal met de auto om bij [appellant] drugs op te halen. Van de kentekens die zijn doorgegeven staat een aantal bij de politie bekend als afkomstig van gebruikers van harddrugs. Een aantal voertuigen met daarin verschillende personen zou regelmatig langskomen. De bezoeken waren van korte duur en vonden ook plaats in de maanden voorafgaand aan de woningsluiting. Verder zou [appellant] volgens meldingen ook vaak op parkeerplaatsen in de buurt staan waar voertuigen langskomen en kort bij hem stoppen.
Gelet op de motivering in het besluit op bezwaar en de aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie van 7 december 2022, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voorafgaand aan de woningsluiting nog steeds drugshandel plaatsvond vanuit de woning en dat het doel van de herstelmaatregel derhalve nog niet was bereikt op het moment van de woningsluiting. De burgemeester heeft bij het besluit tot woningsluiting bovendien kunnen betrekken dat [appellant] in 2021 reeds is veroordeeld voor het bezit van harddrugs in deze woning en dat er al langere tijd sprake was van overlast.
Het betoog slaagt niet.
3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de woningsluiting onevenredig is, omdat de in de woning aangetroffen verdovende middelen niet van hem waren maar van [persoon]. Dit is met een schriftelijke verklaring door [persoon] bevestigd.
3.1. De Afdeling stelt vast dat deze grond een herhaling is van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan en heeft hierover in rechtsoverweging 7 onder meer overwogen dat de burgemeester [appellant] verantwoordelijk heeft kunnen houden voor de aanwezigheid van de harddrugs in de woning en de schriftelijke verklaring van [persoon] niet geloofwaardig heeft kunnen achten.
[appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank bij de afweging of de woningsluiting evenredig is, ten onrechte niet de ontbinding van de huurovereenkomst heeft betrokken als één van de gevolgen van de woningsluiting.
4.1. De Afdeling overweegt dat de burgemeester zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat Stichting De Alliantie door het besluit tot sluiting van de woning een zelfstandige grondslag tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst zou krijgen. De burgemeester is hier gemotiveerd op ingegaan in het besluit op bezwaar en is alles afwegende tot de conclusie gekomen dat de belangen om de woning te sluiten zwaarder wegen dan het risico voor [appellant] dat hij zijn huurwoning door ontbinding van de huurovereenkomst kwijtraakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester zich, gelet op de ernst van de situatie en de verwijtbaarheid van [appellant], op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de sluiting groter is, ondanks dat [appellant] mogelijk zijn woning wordt uitgezet. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank derhalve het mogelijke gevolg dat de huurovereenkomst wordt ontbonden wel bij de beoordeling betrokken. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, mr. B.P. Vermeulen en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Houtman-van de Meerakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
929