ECLI:NL:RVS:2026:2149
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 27 november 2025 is afgewezen. De rechtbank heeft op 16 februari 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 21 april 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker in het kader van de asielprocedure zijn meegewogen. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter V.V. Essenburg en griffier J.W. Prins.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.