Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2158

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
202406282/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbAfdeling 4 hoofdstuk 7 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvragen en verwijzing beroepen naar rechtbank

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had deze beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In de procedure heeft de minister op 20 maart 2026 alsnog besluiten genomen waarbij de asielaanvragen van appellanten zijn afgewezen. Hierdoor is het doel van de procedure bereikt en verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Afdeling overweegt dat de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn nog moet worden beoordeeld in een andere procedure, maar dat dit geen invloed heeft op de proceskostenvergoeding.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast. De beroepen tegen de besluiten van 20 maart 2026 worden door de Afdeling verwezen naar de rechtbank Den Haag, die is ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen. Tegen het oordeel van die rechtbank staat hoger beroep open.

De uitspraak is gedaan door lid van de enkelvoudige kamer M.C. Stoové en griffier Q. Boon op 20 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op asielaanvragen wordt niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de besluiten van de minister worden verwezen naar de rechtbank Den Haag.

Uitspraak

202406282/1/V1.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 13 september 2024 in zaken nrs. NL23.22035, NL23.22037 en NL23.22038 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluiten van 20 maart 2026 heeft de minister de aanvragen van appellanten afgewezen.
Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op de beroepen van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluiten genomen op de aanvragen van 5 januari 2023. Dat heeft de minister bij de besluiten van 20 maart 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben appellanten het doel van deze procedure bereikt.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.       Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellanten hun proceskosten vergoed moeten krijgen. In dit geval heeft de minister op 20 maart 2026 besluiten genomen op de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0.5 toe.
De besluiten van 20 maart 2026
5.       De besluiten van 20 maart 2026 worden, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in die besluiten de asielaanvragen van appellanten afgewezen. Appellanten hebben, hoewel daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met die besluiten.
6.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 20 maart 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank de beroepen tegen die besluiten toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       verwijst de beroepen tegen de besluiten van 20 maart 2026, V-[…], V-[…] en V-[…], naar de rechtbank Den Haag;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
977