202400601/1/R1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Den Burg, gemeente Texel,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Den Burg, gemeente Texel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Texel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorglocatie Gasthuisstraat II" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. V.C. van der Velde, advocaat in Almere, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.H.D. Lindenbergh en J.L.M.G. Broekmans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is ter zitting Stichting Omring, vertegenwoordigd door drs. L.M. Helder, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt op het perceel Gasthuisstraat 55 een woon-zorgcomplex met maximaal 53 eenheden mogelijk. Op het perceel waren een basisschool en gymzaal aanwezig. In het vorige plan hadden de gronden in het plangebied de bestemmingen "Maatschappelijk", "Sport" en "Groen". Het plangebied krijgt met het plan de enkelbestemming "Maatschappelijk-Woonzorgcomplex". De gymzaal is al eerder gesloopt en de gronden daarvan waren ten tijde van de vaststelling van het plan in gebruik als parkeerterrein. Het schoolgebouw moet voor de realisering van het plan worden gesloopt.
In paragraaf 1.1. van de plantoelichting staat dat het voornemen is om in het plangebied een vorm van beschermd wonen mogelijk te maken voor mensen met een intensieve zorgvraag en dat het hoofdzakelijk gaat om mensen met dementie of mensen met een zodanig intensieve somatische zorgvraag dat er 24-uurs aanwezigheid van professionele ondersteuning nodig is.
Stichting Omring is de initiatiefnemer van het plan.
3. [appellant sub 1] woont aan de [locatie] op het perceel dat aan de zuidzijde grenst aan het plangebied. [appellant sub 2] en anderen wonen aan de Beatrixlaan tegenover het plangebied. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn het niet eens met de vaststelling van het plan. Zij vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen als omwonenden.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
5. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Ingetrokken beroepsgronden
6. Tijdens de zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hun beroepsgronden over stikstofdepositie en over het laden en lossen ingetrokken.
Geluid warmtepompen
7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de geluidsoverlast door warmtepompen bij het voorziene woon-zorgcomplex. Ten onrechte is daar geen onderzoek naar gedaan volgens hen.
7.1. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang met artikel 1.64 van de planregels is ondergeschikt aan het woon-zorgcomplex kleinschalige duurzame energiewinning in de vorm van onder meer warmtepompen toegestaan. De Afdeling overweegt dat via de geluidsnorm in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 (thans: artikel 4.107, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving) in voldoende mate is geborgd dat de enkelvoudige geluidbelasting van een warmtepomp beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau (namelijk het niveau uit het Bouwbesluit 2012). Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2445, mag de raad er in beginsel van uitgaan dat het voldoen aan de enkelvoudige norm zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 ook betekent dat zich geen onaanvaardbare cumulatieve geluidhinder zal voordoen. Dat kan anders zijn wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan in een concreet geval reden bestaat om aan dat uitgangspunt te twijfelen. In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen om aan dit uitgangspunt te twijfelen. Het betoog slaagt niet.
Niet passend in de omgeving?
8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat met het plan ten onrechte een andere rooilijn dan voorheen wordt gehanteerd. Tijdens de zitting hebben zij toegelicht dat zij dat niet passend vinden in de omgeving.
8.1. Het plangebied grenst aan de noordzijde en aan de oostzijde aan de weg. Met het plan wordt het bouwvlak groter en verschuift de grens van het bouwvlak ten opzichte van het vorige plan. Het plan maakt daarmee aan zowel de noordzijde als aan de oostzijde bebouwing dichter bij de weg mogelijk. De raad heeft toegelicht dat hij dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar vindt. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting wordt ingegaan op de stedenbouwkundige aspecten. Daarin staat dat het gebouw richting de Gasthuisstraat en Beatrixlaan is geschoven, zodat het onderdeel wordt van de stedenbouwkundige structuur en zich niet hiervan terugtrekt. Verder staat daarin dat het gebouw de aanwezige rooilijnen voor zover aanwezig, oppikt en richting het kruispunt geleidt en dat dit stedenbouwkundig verantwoord is doordat het gebouw slechts 2 lagen hoog is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben de juistheid van het in de toelichting gestelde omtrent de stedenbouwkundige inpassing niet gemotiveerd bestreden. Hoewel het plan bebouwing dichter bij de weg mogelijk maakt, heeft de raad dit, gelet op de beperkte stedenbouwkundige gevolgen daarvan, ook bezien in combinatie met de relatief beperkte maximale bouwhoogte, naar het oordeel van de Afdeling in deze omgeving bij afweging van de belangen aanvaardbaar mogen achten.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet voor de bewoners, bezoekers en het personeel van het voorziene zorgcomplex. In het structuurontwerp zijn ten behoeve van de 53 appartementen 16 parkeerplaatsen ingetekend. Dat is volgens hen te weinig. Zij stellen dat hier onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Ook voorziet het plan volgens hen ten onrechte niet in een (ondergrondse) parkeergarage. Zij vrezen daarom voor parkeeroverlast als gevolg van het plan.
9.1. De raad heeft gewezen op artikel 7.1 van de planregels, waarin is geborgd dat alleen als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, gebouwd mag worden. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd dus pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst als voorbeeld naar haar uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5459, onder 10.2. In paragraaf 3.4.5 van de plantoelichting staat dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte van het plan aansluiting is gezocht bij de Nota Parkeernomen Texel 2015 (hierna: de Nota). Verder staat daarin dat de gemeente Texel ook maatwerk biedt om van de in de Nota opgenomen normen af te wijken. Het plan voorziet in een woon-zorgcomplex voor bewoners met een intensieve zorgvraag. In dit geval is bij het berekenen van de parkeerbehoefte afgeweken van de daarin opgenomen parkeernorm van 0,5 per wooneenheid voor de categorie "Verpleeghuis, hospice en begeleid wonen", waaronder de ontwikkeling van het woon-zorgcomplex valt, en is een parkeernorm van 0,3 per wooneenheid toegepast. Aan de hand daarvan is berekend dat voor het plan 16 parkeerplaatsen nodig zijn. De raad heeft over de gehanteerde parkeernorm toegelicht dat met het plan woonzorg-appartementen worden gerealiseerd voor ouderen met een Wlz-zorg indicatie, dat mensen binnen die doelgroep vaak geen auto in bezit hebben en dat hun parkeerbehoefte daarom beperkt is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben hun betoog dat 16 parkeerplaatsen te weinig zijn om in de parkeerbehoefte van het plan te voorzien niet onderbouwd. Op de zitting is verder door de raad toegelicht dat de parkeerdruk rondom het plangebied laag is. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding daaraan te twijfelen. Verder heeft de raad toegelicht dat in het plangebied genoeg ruimte is om zo nodig extra parkeerplaatsen aan te leggen. Vast staat dat op grond van artikel 3.1, aanhef en onder g, van de planregels overal binnen het plangebied parkeerplaatsen mogen worden aangelegd. Ook na realisatie van de bebouwing zullen daarvoor ook voldoende feitelijke mogelijkheden blijven bestaan. Het plangebied voorziet dus in voldoende ruimte om aan de parkeerbehoefte invulling te kunnen geven. De Afdeling overweegt dat gelet op het voorgaande niet op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Gelet daarop bestaat ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan had moeten voorzien in een (ondergrondse) parkeergarage.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
10. [appellant sub 2] betoogt dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Hij voert aan dat ten onrechte de verkeersaspecten van het plan niet zijn onderzocht. Tijdens de zitting heeft hij daarover toegelicht dat volgens hem door de bebouwing het zicht op het kruispunt wordt belemmerd.
10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan er niet toe leidt dat ter plaatse een verkeersonveilige situatie ontstaat wat betreft het zicht op het kruispunt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dat standpunt kon stellen. Zoals de raad heeft toegelicht, blijft er zowel voor verkeer vanuit de Gasthuisstraat als voor verkeer vanaf de Beatrixlaan nog voldoende zicht op eventueel verkeer dat komt aanrijden. De raad heeft daarnaast toegelicht dat hij geen onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen verwacht ten opzichte van de school. De bewoners van het voorziene zorgcomplex zullen volgens de raad niet over een auto beschikken. Verder zullen de verkeersbewegingen beperkt blijven tot bewegingen van werknemers, bezoekers en laad- en losverkeer. Op basis van wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten hieraan te twijfelen. Daarom heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het verkeer.
Het betoog slaagt niet.
Erfdienstbaarheid
11. [appellant sub 1] betoogt dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Op het perceel dat kadastraal bekend is als sectie O nummer 863 dat in eigendom is van de gemeente Texel is namelijk een erfdienstbaarheid gevestigd die [appellant sub 1] het recht geeft om over dit perceel zijn erf te bereiken.
11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan niet doorslaggevend. Dit is alleen anders, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het plan leidt tot strijd met het zakelijke recht en ook vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3227, onder 22.2. 11.2. Vaststaat dat er een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Afdeling gaat ervan uit dat het een recht van uitweg betreft om te komen van en te gaan naar de openbare weg over het perceel dat in eigendom is van de gemeente in het plangebied.
De raad heeft toegelicht dat hij met [appellant sub 1] gesprekken heeft gevoerd om te komen tot een oplossing in die zin dat [appellant sub 1] het erf kan bereiken zonder gebruik te maken van de gronden die in eigendom zijn van de gemeente Texel en waarop het recht van erfdienstbaarheid rust. Omdat die gesprekken niet tot een oplossing hebben geleid, is bij de burgerlijke rechter opheffing van de erfdienstbaarheid gevorderd. Tijdens de zitting is door partijen toegelicht dat daarover nog een gerechtelijke procedure loopt. Gelet daarop stond ten tijde van de vaststelling van het plan en ook thans niet vast dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. De raad heeft daarnaast toegelicht dat ook als de erfdienstbaarheid niet wordt opgeheven het plan verwezenlijkt kan worden. Weliswaar was het de bedoeling van de initiatiefnemer om de gronden waarop de erfdienstbaarheid rust in te richten als parkeerterrein en mogen deze gronden ook bebouwd worden, maar het is ook mogelijk om die gronden niet te bebouwen en het parkeerterrein op een andere manier in te richten of elders te realiseren. Zoals ook reeds hiervoor onder 9.1. overwogen, maakt naar het oordeel van de Afdeling het plan ook juridisch en feitelijk een dergelijke alternatieve aanleg van de benodigde parkeerplaatsen mogelijk. Naar het oordeel van de Afdeling staat onder deze omstandigheden de erfdienstbaarheid niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan.
Het betoog slaagt niet.
Woongenot en waardedaling woningen
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met hun belang bij het behoud van hun woongenot en met de waardevermindering van hun woningen. Volgens hen zijn de omgevingsaspecten, zoals de veiligheid, water, luchtkwaliteit, licht, parkeerplaatsen en geluid, onvoldoende onderzocht. Verder stellen zij dat het vorige bestemmingsplan voor het plangebied een conserverend bestemmingsplan is en dat zij er daarom op mochten vertrouwen dat de huidige vrijwel ongestoorde ligging niet zou veranderen. Volgens [appellant sub 2] en anderen is de locatie ook niet geschikt voor het realiseren van een zorginstelling, gelet op de ligging in een volgens hen drukbevolkte wijk en tussen twee drukke straten. Daarnaast vrezen zij dat het bouwplan zal afwijken van de aan hen gepresenteerde tekeningen. Volgens hen wordt met het dakterras de bouwhoogte overschreden.
12.1. De Afdeling overweegt dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen geen aanspraak kunnen maken op behoud van de vorige planologische regeling, ook niet als het vorige bestemmingsplan een conserverend bestemmingsplan was.
Over de vrees van [appellant sub 2] en anderen dat het bouwplan zal afwijken van de tekeningen en hun stelling dat de bouwhoogte wordt overschreden, overweegt de Afdeling dat in deze procedure alleen het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt en de bouw- en gebruiksmogelijkheden die daarin mogelijk worden gemaakt.
12.2. Vaststaat dat met het bestemmingsplan het bouwvlak groter wordt, maar dat het vorige plan al bebouwing mogelijk maakte op nagenoeg dezelfde afstand van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen. Verder bedragen de maximale bouw- en goothoogte op basis van het plan respectievelijk 10 en 7 m. De maximale bouw- en goothoogte is voor het oostelijke deel van het plangebied ongewijzigd ten opzichte van het vorige plan. Voor het westelijke deel van het plangebied gold op basis van het vorige plan een maximale bouwhoogte van 9 m en een maximale goothoogte van 6 m. Het plan voorziet dus in een beperkte toename van de bouw- en goothoogte in het westelijke deel van het plangebied dat verder afligt van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen. Ook staat vast dat in het vorige plan reeds bebouwing was toegestaan ten behoeve van een maatschappelijke bestemming. Verder had een deel van het plangebied de bestemming "Sport". Ook op deze gronden was al bebouwing toegestaan.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben niet gesteld dat zij de bebouwingsmogelijkheden van het vorige plan uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar vonden, noch hebben zij aannemelijk gemaakt dat deze geringe toename uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Er bestaat in zoverre dan ook geen aanleiding te oordelen dat de raad het plan niet mocht vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in hoofdstuk 4 van de plantoelichting de uitkomsten van de onderzoeken naar de milieu- en omgevingsaspecten van het plan zijn beschreven en dat daaruit volgt dat deze aspecten geen belemmering vormen voor de vaststelling van het plan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben de resultaten van de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken niet gemotiveerd betwist. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat de raad meer belang heeft mogen hechten aan het realiseren van voldoende woonruimte voor personen met een intensieve zorgvraag dan aan het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen bij behoud van het bestaande woon- en leefklimaat.
12.3. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat een alternatieve locatie beter geschikt is voor het voorziene woon-zorgcomplex overweegt de Afdeling als volgt. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. Het plangebied is volgens de raad geschikt vanwege de ligging dichtbij het centrum en dichtbij andere woonzorglocaties van Stichting Omring. Namens Stichting Omring is in dat kader ook gewezen op de bereikbaarheid voor het personeel dat de locatie met de fiets kan bereiken. Daarnaast betreft het een vrije ruimte, waar voorzien kan worden in een tuin en voldoende parkeergelegenheid. Verder is tijdens de zitting namens Stichting Omring toegelicht dat ook voor deze locatie is gekozen vanwege het gemengde karakter en de ligging in een woonwijk. Deze omgeving is daardoor geschikt voor bijvoorbeeld het maken van een wandeling door de voorziene bewoners met bezoekers. De raad heeft verder toegelicht dat hij het niet aannemelijk acht dat onaanvaardbare overlast zal ontstaan door de voorziene zorginstelling. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan niet uit mocht gaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plangebied in een stedelijke omgeving ligt, waar naast woningen ook andere functies aanwezig zijn. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben ook geen alternatieve locatie naar voren gebracht, zodat ook daarom geen aanleiding bestaat te oordelen dat de raad onvoldoende de voor- en nadelen van deze locatie in zijn afweging heeft betrokken.
12.4. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
12.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 12.1 tot en met 12.4 biedt het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad bij de afweging van de belangen redelijkerwijs het plan niet heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. De beroepen zijn ongegrond.
14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.
w.g. Kaajan
voorzitter
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
647-1036
BIJLAGE
Planregels
Artikel 1 Begrippen
In deze regels worden verstaan onder:
1.64 kleinschalige duurzame energiewinning
energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte;
Artikel 3 Maatschappelijk - Woonzorgcomplex
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk - Woonzorgcomplex' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een woon-zorgcomplex en overkappingen ten behoeve van een maatschappelijke voorziening, met bijzondere wonen met zorgvormen verspreid over maximaal 53 eenheden, al dan niet in combinatie met ondergeschikte horeca;
I. Tot ondergeschikte horeca wordt gerekend horeca zijnde horecabedrijf categorie 1 of horecabedrijf categorie 2
met daaraan ondergeschikt:
b. daktuinen;
c. bijbehorende bouwwerken
d. kleinschalige duurzame energiewinning;
e. wegen en paden;
f. water en wadi's;
met de daarbijbehorende:
g. parkeervoorzieningen;
h. tuinen, erven en terreinen;
i. andere bouwwerken.
Artikel 7 Overige regels
7.1 Voldoende parkeergelegenheid
a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of in gebruik worden genomen wanneer op het bestemmingsvlak of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.