Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2175

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
202406812/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbWBV 2023/3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag met proceskostenvergoeding

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de minister toen nog geen besluit had genomen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Tijdens het hoger beroep heeft de minister alsnog een besluit genomen en de aanvraag van appellant ingewilligd. Hierdoor heeft appellant het doel van de procedure bereikt, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Afdeling bestuursrechtspraak bespreekt tevens de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn door de minister, maar stelt dat dit geen invloed heeft op de proceskostenvergoeding. De minister heeft de beslistermijn overschreden en wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Het hoger beroep gaat uitsluitend over het niet tijdig nemen van het besluit, waarvoor een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast bij de proceskostenvergoeding. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt de minister tot betaling van € 467,00 aan proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 467,00.

Uitspraak

202406812/1/V1.
Datum uitspraak: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 14 oktober 2024 in zaak nr. NL24.18910 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 14 oktober 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 11 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 29 januari 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3.       Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 29 januari 2026, hangende het hoger beroep, een besluit genomen op de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 29 januari 2026
5.       De minister is in het besluit van 29 januari 2026 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft desgevraagd niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
1028