202400888/1/V3.
Datum uitspraak: 21 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 januari 2024 in zaak nr. NL22.26523 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2022, aangevuld op 24 augustus 2023, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. W.C. Boelens, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanaf zijn zevende is opgegroeid op een school waar Jihad-strijders werden opgeleid om te vechten in Afghanistan. Hij wilde niet vechten en weigerde mee te doen aan trainingen. Hij werd daarom mishandeld en gezien als ongelovige. Het is hem uiteindelijk gelukt te ontsnappen.
2. De minister heeft het relaas niet geloofwaardig geacht. Omdat betrokkene het niet eens is met dit standpunt van de minister, heeft hij in beroep een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) overgelegd van 6 juni 2023. Uit dit rapport volgt volgens hem onder meer dat hij tijdens de asielgehoren door zijn psychische problemen waarschijnlijk niet compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren.
3. De minister stelt in zijn verweerschrift in beroep dat de conclusie van het iMMO niet maakt dat de tegenstrijdige, oppervlakkige en summiere verklaringen verschoonbaar moeten worden geacht. De minister wijst op de aard en omvang van de geconstateerde tegenstrijdige en vage verklaringen. Het gaat niet slechts om details, maar om de hoofdlijnen van het asielrelaas. De gradatie ‘waarschijnlijk’ en de betekenis daarvan doen volgens hem niet af aan de conclusie van MediFirst dat er geen beperkingen waren om betrokkene te horen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het iMMO-rapport onvoldoende zorgvuldig bij de besluitvorming heeft betrokken en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door het iMMO geconstateerde beperkingen niet van invloed zijn op de beoordeling van het asielrelaas. Zij verwijst naar de Afdelingsuitspraak van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3615, en overweegt dat de minister aan betrokkene niet langer het onderdelenvereiste mag tegenwerpen. Dit betekent volgens haar dat de minister niet zonder meer van betrokkene mocht verwachten dat hij op wat de minister als de hoofdlijnen van zijn relaas ziet beter kon verklaren dan over andere onderdelen van het asielrelaas. Dit is volgens de rechtbank onvoldoende om het iMMO-rapport terzijde te schuiven. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank door slechts te verwijzen naar de gradatie "waarschijnlijk" ondeugdelijk gemotiveerd waarom de conclusie in het iMMO-rapport dat de medische klachten waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, geen afbreuk doet aan het advies van Medifirst.
Het hoger beroep van de minister
5. De eerste grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet zonder meer van betrokkene mocht verwachten dat hij op hoofdlijnen beter kon verklaren dan op andere onderdelen van het asielrelaas. Het kader in zaken als deze wordt gevormd door de vraag in hoeverre de in het iMMO-rapport vastgestelde psychische problematiek van een vreemdeling zijn vermogen heeft beïnvloed om in het kader van zijn asielaanvraag geloofwaardige verklaringen af te leggen. Die vraag moet worden onderscheiden van de rechtsvraag die de Afdeling in haar uitspraak van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3615, heeft beantwoord over het zogenoemde onderdelenvereiste. Zie hierover verder ook de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1472, onder 6.2. 5.1. De Afdeling begrijpt de aangevallen overweging zo dat de rechtbank daarin heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat de minister, gelet op de door het iMMO vastgestelde psychische problematiek, niet zonder nader onderzoek of nadere motivering aan betrokkene mocht tegenwerpen dat hij op hoofdlijnen niet beter heeft verklaard dan op andere onderdelen van zijn relaas. Daardoor is volgens de rechtbank niet inzichtelijk in welke mate de minister die vastgestelde psychische problematiek heeft betrokken bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Zo begrepen, en anders dan door de minister gesteld, heeft de rechtbank dus niet geoordeeld dat van deze vreemdeling niet zou mogen worden gevraagd dat hij in ieder geval voor wat de kern van zijn asielrelaas betreft geloofwaardige verklaringen aflegt. De grief slaagt dus in zoverre niet.
5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister ten onrechte het iMMO-rapport terzijde heeft geschoven. De minister heeft alleen toegelicht dat van betrokkene mag worden verwacht dat hij in hoofdlijnen kan verklaren. Maar de minister heeft geen gemotiveerde kritiek op het iMMO-rapport als zodanig geleverd. Hij heeft de conclusie in het iMMO-rapport op zichzelf dus niet voldoende betwist. Hij moet dan ook uitgaan van de conclusie in dat rapport dat de psychische problemen van betrokkene tijdens de gehoren waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Door eerst in het verweerschrift in beroep en in hoger beroep te wijzen op een aantal punten in het asielrelaas die volgens de minister ongeloofwaardig of vaag zijn, heeft hij de conclusie van het iMMO niet alsnog kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken.
5.3. In het eerste deel van de tweede grief klaagt de minister tevergeefs over het oordeel van de rechtbank over de gradatie "waarschijnlijk". Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085, onder 10.5, kan de minister niet aan het iMMO-rapport voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen, als op zorgvuldige en begrijpelijke wijze is gesteld dat de medische problematiek van betrokkene tijdens de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. In die uitspraak is rekening gehouden met vier gradaties, te weten: niet, mogelijk, zeer waarschijnlijk en zeker. Ten tijde van het opstellen van het iMMO-rapport in deze zaak ging het iMMO uit van vijf gradaties: niet, mogelijk, waarschijnlijk, zeer waarschijnlijk en zeker. "Waarschijnlijk" houdt volgens het iMMO in dat de psychische problemen vermoedelijk interfereren, maar zeker is dit niet. "Waarschijnlijk" is een dermate sterke gradatie, dat de minister hier ook niet aan voorbij mag gaan. Het eerste deel van de tweede grief slaagt niet. 6. Wat de minister verder in de tweede grief aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
7. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
8. Het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift roepen verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
9. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026
872