AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging grensdetentie na niet-ontvankelijk verklaring asielaanvraag en weigering toegang Schengengebied
Appellant heeft op 25 februari 2026 asiel aangevraagd en is direct in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft zijn asielaanvraag op 14 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard en een inreisverbod opgelegd. Appellant heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan om de behandeling in Nederland af te wachten.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep betoogt appellant dat hij door het verzoek om voorlopige voorziening toegang tot Nederland zou hebben gekregen, maar de Afdeling oordeelt dat dit niet het geval is. De grensdetentie mag voortduren totdat de voorzieningenrechter op het verzoek beslist.
De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat grensdetentie tijdens de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening rechtmatig kan zijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de mededeling over het afwachten van de voorlopige voorziening niet impliceert dat toegang tot het Schengengebied is verleend.
De overige grieven bevatten geen relevante rechtsvragen die beantwoording behoeven. De Afdeling ziet geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de rechtmatigheid van de grensdetentie en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2026 in zaak nr. NL26.13116 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij mondelinge uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft op 25 februari 2026 aan de grens asiel aangevraagd en de minister heeft hem op die dag in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Bij besluit van 14 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. In de rechtsmiddelenclausule van dat besluit staat dat appellant daartegen beroep kan instellen en dat hij de uitspraak op dat beroep niet in Nederland mag afwachten, maar een verzoek om voorlopige voorziening hangende dat beroep wel. Appellant heeft zo’n verzoek gedaan.
2. Appellant komt in grief 1 tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de passage in het asielbesluit dat hij het verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten, niet betekent dat hem de toegang tot Nederland is verschaft, maar alleen dat hij niet mag worden uitgezet voordat voorzieningenrechter van de rechtbank op dat verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie mag voortduren tot de voorzieningenrechter die beslissing neemt.
2.1. Het gegeven dat appellant een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend in de asielzaak, betekent niet dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het Schengengebied (artikel 6 vanPro de Schengengrenscode). De Afdeling verwijst daarnaast naar haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, waarin zij onder 3.2 en 3.2.1 aan de hand van Unierecht heeft uitgelegd onder welke omstandigheden grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan voortduren. Daaronder valt de periode waarin appellant in afwachting is van de beslissing op zijn verzoek om voorlopige voorziening hangende zijn beroep in de asielzaak.
2.2. Appellant doet verder een beroep op het vertrouwensbeginsel, maar dit slaagt niet. Gelet op wat de Afdeling onder 2.1 heeft overwogen, kan de mededeling dat hij de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten in het besluit waarbij zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, een terugkeerbesluit is genomen en een inreisverbod is uitgevaardigd, redelijkerwijs niet de indruk wekken dat hem de toegang tot het Schengengebied zou worden verleend. Daarbij is tevens van belang dat in het besluit ook is vermeld dat de grensdetentie wordt voortgezet.
2.3. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.4. De grief faalt.
3. Wat appellant in de grieven 2 en 3 aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.