ECLI:NL:RVS:2026:2236
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot beperkte kennisneming van vertrouwelijke e-mailcorrespondentie in bestuursrechtelijke procedure
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek van de minister van Justitie en Veiligheid behandeld om te bepalen dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van bepaalde vertrouwelijke stukken. Het betrof ongeschoonde e-mailwisselingen tussen ambtenaren van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin werd verzocht om een nieuwe zoekslag naar persoonsgegevens uit te voeren.
De persoonsgegevens van meerdere ambtenaren in de e-mails waren gelakt, waaronder namen, contactgegevens en handtekeningen, omdat deze ambtenaren geen publieke functie vervullen en het verstrekken van deze gegevens een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer zou vormen. De appellant had bezwaar tegen het lakken van sommige gegevens, maar kon niet onderbouwen dat hij hierdoor in zijn procesvoering werd belemmerd.
De Afdeling heeft op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een belangenafweging gemaakt tussen het belang van openbaarheid en het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gezien de omstandigheden achtte de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd en wees het toe. De geheimhoudingskamer heeft geen oordeel gegeven over andere door appellant aangevoerde aspecten, omdat haar rol beperkt is tot het geheimhoudingsverzoek.
Uitkomst: De Afdeling wijst het verzoek van de minister toe om alleen de Afdeling kennis te laten nemen van vertrouwelijke e-mailwisselingen ter bescherming van persoonsgegevens.