ECLI:NL:RVS:2026:226

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
202304792/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om inzage, rectificatie en wissing van persoonsgegevens in de Fraudesignaleringsvoorziening

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de minister van Financiën, naar aanleiding van een besluit van 22 juli 2021 waarin het verzoek om inzage in persoonsgegevens in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) werd ingewilligd, maar de verzoeken om rectificatie en wissing werden afgewezen. De minister had eerder [appellant sub 2] geïnformeerd dat zijn gegevens in de FSV waren opgenomen. De rechtbank Noord-Holland oordeelde op 6 juli 2023 dat de minister ten onrechte geen informatie over de bron van de gegevens had verstrekt en dat het verzoek om wissing niet mocht worden afgewezen. De rechtbank herroept het besluit van de minister en bepaalt dat de persoonsgegevens binnen een maand gewist moeten worden. Zowel de minister als [appellant sub 2] gaan in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak op 22 mei 2025. De Afdeling oordeelt dat de minister het verzoek om wissing terecht heeft afgewezen, omdat de verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is voor het vervullen van taken van algemeen belang, zoals het herstel van onrechtmatige gevolgen van de FSV. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister heeft veroordeeld tot betaling van proceskosten, maar vernietigt het deel waarin de minister werd verplicht om de persoonsgegevens te wissen. De Afdeling stelt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden en kent een schadevergoeding toe aan [appellant sub 2] voor de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202304792/1/A3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Financiën,
2.       [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 6 juli 2023 in zaak nr. 21/6573 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de minister het verzoek van [appellant sub 2] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) om inzage van zijn persoonsgegevens in de Fraudesignaleringsvoorziening (hierna: FSV) ingewilligd en de verzoeken op grond van de artikelen 16 en 17 van de AVG om rectificatie en wissing van die gegevens afgewezen.
Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de minister het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2021 vernietigd, het besluit van 22 juli 2021 herroepen voor zover daarbij het verzoek om wissing is afgewezen, bepaald dat de minister binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV wist en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] en de minister hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere inlichtingen gegeven.
[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 mei 2025, waar [appellant sub 2] en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. M. Baarslag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
2.       Bij brief van 20 mei 2021 heeft de minister [appellant sub 2] ervan op de hoogte gesteld dat zijn gegevens waren opgenomen in de FSV. Bij brief van 25 juni 2021 heeft [appellant sub 2], voor zover in hoger beroep aan de orde, de minister verzocht om inzage in alle persoonsgegevens in zijn FSV-dossier en om rectificatie en wissing daarvan. Bij besluit van 22 juli 2021 heeft de minister inzage gegeven in de in de FSV aanwezige persoonsgegevens van [appellant sub 2], en de verzoeken om rectificatie en wissing afgewezen omdat de gegevens, die zich bevinden in een reservebestand dat in een beveiligde omgeving staat, nog nodig zijn om de gevolgen van de FSV in kaart te brengen en daarover verantwoording te kunnen afleggen aan de Tweede Kamer. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat tot nader order geen gegevensverwerkingen in de FSV worden gewist. De minister is in het besluit op het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar bij de afwijzing van de verzoeken om rectificatie en wissing gebleven.
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister bij het besluit van 28 oktober 2021 ten onrechte niet de informatie over de bron van de gegevens in de FSV heeft verstrekt, maar dat de minister die gegevens in de beroepsfase alsnog heeft verstrekt. Voor de overige niet verstrekte gegevens geldt volgens de rechtbank dat [appellant sub 2] geen recht op inzage daarin heeft, omdat het geen persoonsgegevens van hem zijn. Over de vraag of de minister een kopie van de volledige FSV-registratie moest verstrekken heeft de rechtbank geen oordeel gegeven. [appellant sub 2] had namelijk geen belang meer bij dat oordeel omdat de minister lopende de procedure die kopie, met weggelakte persoonsgegevens van derden, heeft verstrekt.
Over het verzoek om wissing heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister dat verzoek niet heeft mogen afwijzen. Volgens de rechtbank mag een verzoek om wissing slechts worden afgewezen om de redenen genoemd in artikel 17, derde lid, van de AVG en artikel 41, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. De afwijzing kan volgens de rechtbank dus niet worden gebaseerd op de Archiefwet 1995, artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht of de toezeggingen die de minister aan de Tweede Kamer heeft gedaan om tot nader order bij de Belastingdienst geen documenten te vernietigen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het bewaren van de gegevens ook niet noodzakelijk is voor fiscale procedures van [appellant sub 2] en daarmee samenhangende schadeclaims, noch voor archivering en onderzoek in verband met politieke verantwoording van de minister, omdat door deze AVG-procedure al is vastgelegd dat de gegevens van [appellant sub 2] in de FSV waren geregistreerd.
De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] gegrond verklaard, het besluit van 28 oktober 2021 vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 22 juli 2021 gedeeltelijk te herroepen en te bepalen dat de minister de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV binnen een maand na verzending van de uitspraak wist.
Hoger beroep van [appellant sub 2]
4.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen volledige inzage hoefde te geven in de registratie. Daarbij heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat de gegevens van [appellant sub 2] niet zijn gebruikt in zijn nadeel. [appellant sub 2] heeft verzocht om medewerkers van de Belastingdienst op te roepen om te getuigen over het onrechtmatige optreden van de Belastingdienst, en de gevolgen van zijn onrechtmatige registratie in de FSV. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het verzoek om rectificatie. Ten slotte betoogt hij dat de rechtbank bij de veroordeling van de minister in de proceskosten een onjuist uurtarief voor zijn verletkosten heeft gehanteerd.
Beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 2]
5.       Artikel 15 van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens en een aantal andere categorieën van informatie, waaronder de ontvangers van die persoonsgegevens.
5.1.    De gegevens waarin [appellant sub 2] in deze procedure nog inzage verlangt, namelijk de informatie in de FSV-velden "opgevoerd door", "beoordeeld door" en "partner BSN", zijn geen persoonsgegevens van [appellant sub 2]. Het gaat namelijk om gegevens van behandelend ambtenaren van de Belastingdienst en het burgerservicenummer van de partner van [appellant sub 2]. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat deze gegevens niet vallen onder het bereik van het inzagerecht van artikel 15 van de AVG, waardoor de minister geen inzage hoefde te geven in die gegevens.
Het betoog slaagt niet.
6.       Artikel 16 van de AVG geeft een betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht van aanvulling van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.
6.1.    [appellant sub 2] heeft zijn verzoek om rectificatie op de zitting bij de Afdeling toegelicht. Zijn verzoek houdt in dat hij verlangt dat de minister zijn naam zuivert door in dagbladen rectificaties te publiceren waarin staat dat hij ten onrechte in de FSV was geregistreerd, en door verschillende instanties op de hoogte te stellen van de onrechtmatige registratie. Hierover is de Afdeling van oordeel dat artikel 16 van de AVG daar geen recht op geeft. Het rectificatierecht op de voet van de AVG ziet alleen op het corrigeren of aanvullen van onjuiste of onvolledige verwerkte persoonsgegevens van een betrokkene. [appellant sub 2] heeft niet aangevoerd dat zijn in de FSV geregistreerde persoonsgegevens onjuist of onvolledig zijn.
Het betoog slaagt niet.
7.       [appellant sub 2] heeft in beroep verzocht om vergoeding van verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hij heeft het door hem gestelde uurtarief van € 241,08 niet met gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft daarom terecht de verletkosten vastgesteld tegen het minimumtarief van € 8,00 per uur.
Het betoog slaagt niet.
8.       De Afdeling ziet geen aanleiding om medewerkers van de Belastingdienst op te roepen om te getuigen over onrechtmatig optreden en de gevolgen van de registratie van [appellant sub 2] in de FSV. In dit hoger beroep van [appellant sub 2] is namelijk alleen aan de orde of de minister op grond van de AVG voldoende inzage heeft gegeven in de persoonsgegevens van [appellant sub 2] en of de minister die persoonsgegevens heeft moeten rectificeren. De onrechtmatigheid en de gevolgen van de FSV-registratie zijn geen onderdeel van dit geding.
Hoger beroep van de minister
9.       De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het verzoek om wissing van de gegevens niet heeft mogen afwijzen. De minister stelt dat uit artikel 17, eerste lid, onder a, van de AVG volgt dat wissing van de persoonsgegevens achterwege dient te blijven indien de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt, niet beëindigd zijn. Dat is hier het geval. De minister voert aan dat wat nu de FSV wordt genoemd feitelijk een reservebestand is dat naar aanleiding van het afsluiten van die applicatie is gemaakt. Voor dat reservebestand geldt volgens de minister dat de gegevens daarin zijn verwerkt met het doel om de gevolgen van het onrechtmatige gebruik van de FSV te kunnen herstellen, een compensatieregeling te kunnen uitvoeren en verzoeken op grond van de AVG, klachten, en schadeverzoeken te behandelen. Dat is een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG. In dat verband heeft de minister aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan om geen gegevens in relatie tot de FSV te verwijderen of te vernietigen. Verder voert de minister aan dat artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG, de mogelijkheid biedt om van wissen af te zien als de gegevens nog nodig zijn voor het voeren van procedures. Dat is in dit geval aan de orde. De minister voert aan dat de rechtbank de gevolgen van het wissen van de persoonsgegevens onvoldoende heeft meegewogen. Zo zou het volgens de minister niet meer mogelijk zijn om schadeverzoeken te behandelen, en zou het niet meer mogelijk zijn om een bezwaar te behandelen tegen de afsluitende brief waarin de minister betrokkenen informeert over of zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in het kader van de FSV, omdat de FSV-gegevens dan niet meer aanwezig zijn bij de minister. Over de afhandeling van de schadeclaim die [appellant sub 2] heeft ingediend voert de minister aan dat daarvoor noodzakelijk is dat hij kan blijven beschikken over de originele bron, en dat de gegevens relevant zijn voor zowel de minister als voor [appellant sub 2] met het oog op het instellen, uitoefenen of onderbouwen van een rechtsvordering.
Beoordeling van het hoger beroep van de minister
10.     Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de persoonsgegevens van [appellant sub 2] onrechtmatig zijn verwerkt.
11.     Ingevolge artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG, zijn de leden 1 en 2 van dat artikel niet van toepassing voor zover verwerking nodig is voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
11.1.  Voor beantwoording van de vraag of de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is voor het vervullen van een taak van algemeen belang moet worden beoordeeld of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt welbepaald en uitdrukkelijk omschreven is. Verder moet worden beoordeeld of met de aan de orde zijnde verwerking van de persoonsgegevens ook het betreffende doel wordt bereikt. Daarbij moet het doel passen binnen de taak van algemeen belang. In het geval de verwerking van de persoonsgegevens voor het bereiken van het specifieke doel in deze zin noodzakelijk is, moet vervolgens worden beoordeeld of de inbreuk op het privéleven evenredig is met de belangen die zijn gediend met de verwerking van de persoonsgegevens. In het licht van het EU-Handvest moet worden beoordeeld of de inbreuk op het privéleven is beperkt tot wat voor het behalen van het doel strikt noodzakelijk is. Met name moet worden beoordeeld of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken personen minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. De intensiteit waarmee dit dient te gebeuren wordt mede bepaald door de specificiteit van de aangedragen alternatieven. Vergelijk de uitspraak van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4603 onder 4.4.
11.2.  Zoals de Afdeling heeft uiteengezet in haar uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2720 onder 2 tot en met 2.1, heeft de Belastingdienst het gebruik van de FSV op 27 februari 2020 stopgezet. Volgens de toelichting van de minister is van alle gegevens die in de FSV zijn opgeslagen een back-up gemaakt. Die back-up is in een beveiligde locatie (een datakluis) geplaatst voor de afwikkeling van inzage- en schadeverzoeken en andere juridische procedures over de FSV en ten behoeve van (extern) onderzoek. De FSV-applicatie zelf is daarna uitgezet. Volgens de minister zijn in totaal ongeveer 290.000 natuurlijke personen geregistreerd in de FSV. Deze betrokkenen heeft de minister middels een brief op de hoogte gesteld dat hun persoonsgegevens zijn verwerkt in de FSV. Zij worden gewezen op de mogelijkheid om een verzoek om inzage in hun geregistreerde persoonsgegevens te doen. De minister voert zoekslagen voor AVG-verzoeken en andere FSV-gerelateerde procedures uit in de back-up, waartoe een beperkt aantal medewerkers is geautoriseerd. Verder is door het kabinet compensatiebeleid opgesteld voor personen die zijn opgenomen in de FSV en daar onterechte en/of nadelige gevolgen van hebben ondervonden. De minister informeert de personen die in de FSV zijn geregistreerd of die registratie volgens hem gevolgen heeft gehad en of de betrokkene al dan niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming.
12.     De Afdeling is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verwerken van de persoonsgegevens in de FSV, zoals opgeslagen in de back-up, voorlopig noodzakelijk is voor de vervulling van taken van algemeen belang. Daarbij zijn twee verschillende taken van algemeen belang te onderscheiden.
12.1.  Ten eerste is het herstel van onrechtmatige nadelige gevolgen van de FSV een taak van algemeen belang. De grondslag voor die taak ligt in de eerste plaats in het compensatiebeleid dat door het kabinet is beschreven in de brief aan de Tweede Kamer van 4 november 2022 (Kamerstukken II, 2022/23, 31 066, nr. 1131). Voor de uitvoering van dit beleid is het noodzakelijk om in concrete gevallen de reikwijdte van de nadelige gevolgen van de FSV-registratie voor betrokkenen in kaart te brengen. Daarvoor is noodzakelijk dat valt na te gaan wat er stond geregistreerd. Verder worden inzageverzoeken en verzoeken om schadevergoedingen op grond van artikel 15 van de AVG behandeld. Voor de zoekslagen in het kader van de afhandeling van de voornoemde taken heeft de minister de in de back-up van de FSV opgenomen en verwerkte gegevens nodig. Bij de zoekslagen die worden uitgevoerd om die doelen te bewerkstelligen is noodzakelijk om de persoonsgegevens van betrokkenen te verwerken. De doelen van de verwerking zijn welbepaald en uitdrukkelijk omschreven in de brief aan de Tweede Kamer van 4 november 2022, en daarmee passen die doelen in de hiervoor genoemde taak van algemeen belang.
12.2.  Ten tweede is in dit geval de noodzakelijke verantwoording in algemene zin een taak van algemeen belang. Deze taak vindt zijn grondslag in het stelsel van staatsrechtelijke verhoudingen, dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in artikel 68 van de Grondwet en dat er in bestaat dat de regering zich voor haar handelen in het algemeen verantwoordt tegenover de Staten-Generaal. Het kabinet heeft bij brief van 2 maart 2020 (Kamerstukken II, 2019/20, 31 066, nr. 604) toegezegd om de vragen van de Tweede Kamer over de FSV te beantwoorden en de Tweede Kamer nader te informeren. De vervulling van deze taak heeft in de praktijk verder vorm gekregen in de onafhankelijke onderzoeken van de Autoriteit Persoonsgegevens en KPMG Nederland, waarbij die instanties weliswaar geen toegang hebben gekregen tot individuele FSV-registraties, maar waarvoor wel noodzakelijk was dat de FSV back-up en de daarin verwerkte gegevens beschikbaar waren. Het kan niet worden uitgesloten dat verder onderzoek in het kader van de verantwoording zal moeten plaatsvinden. Ook heeft de minister intern onderzoek gedaan naar de FSV. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze doelen daarmee welbepaald en uitdrukkelijk omschreven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor de politieke verantwoording niet voldoende dat uit een AVG-procedure blijkt dat persoonsgegevens van een individuele betrokkene in de FSV geregistreerd zijn geweest. Indien verzoeken tot wissen van de persoonsgegevens van betrokkenen die in de FSV zijn opgenomen nu zouden moeten worden ingewilligd, zou het algehele overzicht over de wijze waarop persoonsgegevens in de FSV werden geregistreerd en de impact en reikwijdte daarvan verloren gaan. Dit zou afbreuk doen aan de mogelijkheid van de minister om verantwoording af te leggen over de FSV en de gevolgen ervan. Daarmee past het doel van de verwerking in de hiervoor genoemde taak van algemeen belang.
12.3.  In het kader van de evenredigheid heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat hij schade heeft geleden door zijn registratie in de FSV en dat hij al sinds 2014 tegen de Belastingdienst procedeert. Door zijn registratie heeft hij te maken gehad met boekcontroles en heeft hij bijvoorbeeld geen Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid gekregen voor de onkosten van zijn advocatenkantoor tijdens de coronacrisis. Daardoor zijn de medewerkers vertrokken. Ook moest hij zijn woning verkopen. [appellant sub 2] stelt dat hij door de aanwezigheid van zijn persoonsgegevens in de back-up van de FSV nog steeds ten onrechte te boek staat als fraudeur. Volgens [appellant sub 2] bestaat verder een groot risico dat zijn gegevens nogmaals onrechtmatig zullen worden verwerkt en dat hij daar nadeel van zal ondervinden.
12.4.  Voor de beoordeling van de evenredigheid van het weigeren van de wissing is van belang hoe de persoonsgegevens van [appellant sub 2] worden verwerkt. Omdat het nog nodig is om de persoonsgegevens te verwerken voor de hiervoor genoemde doeleinden, is het weigeren van de wissing van die gegevens ook in het individuele geval van [appellant sub 2] een geschikte maatregel ten behoeve van het bereiken van die doeleinden. Verder is niet gebleken dat na het uitzetten van de FSV als applicatie de over [appellant sub 2] daarin opgenomen gegevens nog worden gebruikt, dus ook niet voor het opsporen van fraude, of voor enig ander doel waarvan hij nadeel kan ondervinden. Deze gegevens zijn in de vorm van een kopiebestand in een datakluis geplaatst waar een beperkt aantal medewerkers toegang toe heeft, uitsluitend voor de hiervoor genoemde doeleinden. Daarnaast heeft de minister in het besluit van 22 juli 2021 toegezegd om de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de back-up te verwijderen zodra de bewaartermijn van zeven jaar is verstreken en de verwerking niet meer noodzakelijk is voor de hiervoor genoemde onderzoeken en werkzaamheden. Daarmee wordt de inbreuk op het privéleven beperkt tot wat voor het bewerkstelligen van die doelen strikt noodzakelijk is. De Afdeling begrijpt de zorgen van [appellant sub 2] dat zijn persoonsgegevens in de back-up van de FSV weer zullen worden gebruikt voor fraudebestrijding. Gelet op de maatregelen die de minister heeft genomen om de verdere verwerking van deze persoonsgegevens te beperken ziet de Afdeling in dit geval echter geen aanleiding om aan te nemen dat de minister zijn persoonsgegevens voor andere doeleinden zal gebruiken dan hiervoor omschreven. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd leidt daarom niet tot de conclusie dat de gevolgen van het weigeren van de wissing voor hem onevenwichtig zijn in verhouding tot de met die weigering te dienen doelen. Het weigeren van de wissing is daarom in dit geval evenredig.
12.5.  Het voorgaande betekent dat de minister het verzoek om wissing heeft mogen afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeft wat de minister verder over de wissing aanvoert geen bespreking.
Overschrijding redelijke termijn
13.     De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
13.1.  De minister heeft het bezwaarschrift van [appellant sub 2] ontvangen op 2 september 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim vier maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor een derde deel de rechtbank en voor twee derde deel aan de Afdeling worden toegerekend.
14.     De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Slotsom
15.     Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld tot betaling van proceskosten ten bedrage van € 28,00. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het besluit van 22 juli 2021 heeft herroepen, heeft bepaald dat de minister binnen een maand na de verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV wist en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 oktober 2021. De gegrondverklaring van het beroep tegen dat besluit en de vernietiging ervan blijven in stand, omdat de minister niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat hij [appellant sub 2] onvolledig inzage heeft geven in zijn persoonsgegevens in de FSV. Omdat de minister in beroep alsnog volledig inzage heeft gegeven, zal de Afdeling, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de rechtsgevolgen van het besluit van 28 oktober 2021 in stand laten.
16.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;
II.       verklaart het hoger beroep van de minister van Financiën gegrond;
III.      vernietigt die uitspraak, voor zover de rechtbank daarin het besluit van 22 juli 2021 heeft herroepen, heeft bepaald dat de minister van Financiën binnen een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [appellant sub 2] in de FSV wist en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 oktober 2021;
IV.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 28 oktober 2021 in stand blijven;
V.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant sub 2] van een schadevergoeding van € 166,67;
VI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant sub 2] van een schadevergoeding van € 333,33.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
452-1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 15, eerste lid
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a)       de verwerkingsdoeleinden;
b)       de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c)       de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d)       indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e)       dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f)        dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g)       wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h)       het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
Artikel 16
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.
Artikel 17, eerste en derde lid
1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
a)       de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt;
[…]
d)       de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
[…]
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
[…]
b)       voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend;
[…]