ECLI:NL:RVS:2026:2363
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen niet-inwilliging verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij besluit van 24 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen. De rechtbank Den Haag heeft op 2 april 2026 het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn belangen zijn geschaad doordat de rechtbank geen zitting heeft gehouden. Ook een onjuiste rechtsmiddelenclausule leidt niet tot een recht op hoger beroep.
Daarom verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Het hogerberoepschrift wordt doorgezonden naar de rechtbank Den Haag als verzetschrift voor verdere behandeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van H.G. Sevenster, op 30 april 2026.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd het hoger beroep te behandelen en zendt het hogerberoepschrift door als verzetschrift naar de rechtbank.