202407541/1/V1.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in zaak nr. NL22.4481 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, deze vergunning ingetrokken, geweigerd om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, bepaald dat appellant de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het gaat om het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Erik, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft vanaf 2016 een verblijfsvergunning asiel gehad. Op 13 oktober 2020 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch appellant definitief veroordeeld tot vijf jaar en zes maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van handel in en smokkel van 534 kilogram amfetamine.
1.1. Bij het besluit van 22 februari 2022 heeft de minister de aanvraag van appellant tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning afgewezen en deze vergunning ingetrokken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ heeft gepleegd, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
Hoger beroep
2. In grief I klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ heeft gepleegd.
Bijzonder ernstig misdrijf
2.1. Van een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn is alleen sprake als de specifieke kenmerken van dat misdrijf worden geacht uitzonderlijk ernstig te zijn, in die zin dat het behoort tot de misdrijven die de rechtsorde van de betrokken samenleving het meest aantasten (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543, punt 37). Uit punt 40 van het arrest M.A. volgt dat voor de beoordeling of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het betrokken geval. Artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn moet strikt worden uitgelegd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1177, onder 3, 3.1 en 3.2, en die van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1492, onder 1.1. 2.2. Appellant betoogt terecht dat voor handel in en smokkel van harddrugs een wettelijk strafmaximum van twaalf jaar geldt. Hoewel dit een zware strafbedreiging is, duidt dit niet zonder meer op een misdrijf dat de rechtsorde het meest aantast. Appellant wijst er verder terecht op dat alleen misdrijven waarvoor een straf is opgelegd die in het licht van de in de lidstaat gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is, ‘bijzonder ernstig’ zijn. Zie de eerdergenoemde uitspraak van 19 maart 2025, onder 3.2. Uit de ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’ van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht volgt dat voor de in- en uitvoer van minimaal twintig kilogram harddrugs in georganiseerd verband een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal zes jaar geldt. Het Gerechtshof heeft appellant ten opzichte van dit oriëntatiepunt een lagere straf opgelegd voor de in- en uitvoer van een meer dan twintigvoudige hoeveelheid harddrugs. Het gaat hier dan ook niet om een straf die in het licht van de in Nederland gebruikelijke strafmaat bijzonder zwaar is. De strafoplegging biedt dus geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de omstandigheden waaronder appellant het misdrijf heeft gepleegd, kunnen bijdragen aan het oordeel dat het misdrijf bijzonder ernstig is.
2.3. Verder wijst appellant er terecht op dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister geen op het geval toegespitste beoordeling heeft gemaakt. Weliswaar heeft de minister in de besluitvorming gewezen op de schade die drugscriminaliteit de Nederlandse samenleving in het algemeen berokkent en heeft hij daarnaast toegelicht dat appellant samen met een medepleger een graafmachine heeft gekocht, medeverhuurder was van de loods waar de graafmachine stond en waar appellant samen met een medepleger begonnen was met het dichtlassen van het contragewicht van de graafmachine waarin de drugs verstopt waren, maar de minister heeft op deze wijze nagelaten om uit te leggen waarom het misdrijf waarvoor appellant is veroordeeld, mede gelet op de omstandigheden waaronder appellant het misdrijf heeft gepleegd, ‘bijzonder ernstig’ is.
2.4. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.5. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. Wat appellant verder aanvoert, behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de andere onderdelen van het besluit van 22 februari 2022 dan het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet heeft vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in zaak nr. NL22.4481, voor zover zij de andere onderdelen van het besluit van 22 februari 2022, V-[…], dan het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet heeft vernietigd;
III. vernietigt dat besluit ook in zoverre;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026
282-1162