AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening inzake verklaring van rijgeschiktheid
Verzoekster had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verklaring van rijgeschiktheid. De Afdeling bestuursrechtspraak had eerder geoordeeld dat het CBR tijdig had beslist en dat het beroepschrift als bezwaarschrift moest worden behandeld.
Verzoekster stelde dat de Afdeling haar hoger beroep ten onrechte ongegrond had verklaard en voerde aan dat haar ziekte haar rijgeschiktheid niet aantastte. De Afdeling overwoog dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om het geschil opnieuw te behandelen of reeds aangevoerde argumenten opnieuw te laten beoordelen.
Omdat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden, werd het verzoek om herziening afgewezen. Tevens werd opgemerkt dat de procedure niet ging over de rechtmatigheid van de weigering van de verklaring van rijgeschiktheid zelf.
Het CBR gaf aan dat verzoekster een nieuwe aanvraag kan indienen. De Afdeling besloot dat het CBR geen proceskosten hoeft te vergoeden en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
202504193/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025 in zaak nr. 202404648/1/A2.
Procesverloop
Bij uitspraak van 25 juni 2025, in zaak nr. 202404648/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:2830, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 februari 2024 in zaak nrs. 23/6903 en 23/6904 ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht de uitspraak van 25 juni 2025 te herzien.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [verzoekster] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, zijn verschenen.
Overwegingen
Achtergrond
1. [verzoekster] heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van rijgeschiktheid. De Afdeling is in haar uitspraak van 25 juni 2025 de rechtbank gevolgd in het oordeel dat het CBR tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat het beroepschrift moet worden doorgezonden naar het CBR om als bezwaarschrift te behandelen. De Afdeling heeft eveneens geoordeeld dat het besluit van 11 juni 2024, waarin het CBR op het bezwaar van [verzoekster] heeft beslist, geen besluit is als bedoeld in artikel 6:20, tweede lid, van de Awb, waartegen gelet op artikel 6:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 vanPro die wet een beroep van rechtswege is ontstaan.
Verzoek om herziening
2. Aan het verzoek om herziening heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat de Afdeling haar hoger beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Tijdens de zitting bij de Afdeling had zij het idee dat zij het voordeel van de twijfel genoot. Zij voert verder aan dat de ziekte van Sjögren haar ogen en haar rijgeschiktheid niet aantast, waardoor zij een verklaring van rijgeschiktheid had moeten krijgen.
Beoordeling van het verzoek
3. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
4. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoekster] geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De Afdeling merkt op dat wat [verzoekster] in deze procedure heeft aangevoerd, zij ook al heeft aangevoerd in de vorige procedure. Het gaat hier met andere woorden niet om feiten of omstandigheden die bij [verzoekster] vóór de uitspraak van 25 juni 2025 niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Zoals onder 4 is overwogen, kan dat niet leiden tot herziening van de uitspraak. De Afdeling voegt daaraan toe dat op de zitting is besproken dat deze procedure, net als de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 25 juni 2025, niet gaat over de vraag of het CBR terecht (op 11 juni 2024) de verklaring van rijgeschiktheid heeft geweigerd. Daarom is wat [verzoekster] daarover, met onder meer verwijzing naar de ziekte van Sjögren, heeft aangevoerd, niet relevant in deze procedure, zoals op de zitting ook met haar is besproken. Het CBR heeft overigens op de zitting bij de Afdeling opgemerkt dat [verzoekster] een nieuwe aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van rijgeschiktheid kan indienen.
Conclusie
6. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
7. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.