ECLI:NL:RVS:2026:257
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 11 augustus 2025 is afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft op 18 december 2025 het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Verzoeker stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 15 januari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat verzoeker recht heeft op opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De minister is bovendien veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter M. den Heyer en griffier Q. Boon.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet en krijgt opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.