BRS.24.000283
Datum uitspraak: 20 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 juli 2024 in zaak nr. NL24.28245 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.R. Toonder, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De minister heeft betrokkene op 9 juli 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (hierna: de eerste maatregel). Omdat de wettelijke grondslag onjuist bleek te zijn heeft de minister de eerste maatregel op 13 juli 2024 opgeheven en betrokkene op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (hierna: de tweede maatregel).
2. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister aan betrokkene een schadevergoeding heeft aangeboden, omdat de eerste maatregel berustte op een onjuiste wettelijke grondslag. Om die reden mocht de rechtbank in het beroep tegen de tweede maatregel uitgaan van de onrechtmatigheid van de eerste maatregel (uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.6). 2.1. De minister klaagt in zijn enige grief echter terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel, omdat het gebrek in de eerste maatregel een ernstige schending oplevert van het aan betrokkene toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 4 tot en met 7.4. De relatief korte periode dat betrokkene op een onjuiste grondslag is vastgehouden, levert geen ernstige schending op. De grief slaagt. 3. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 22 juli 2024 in zaak nr. NL24.28245;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026
47