ECLI:NL:RVS:2026:262
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De minister stelde betrokkene op 13 juli 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze maatregel gegrond, beval opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe vanwege een onjuiste wettelijke grondslag van de eerste maatregel.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel niet doorwerkt in de tweede maatregel, omdat de periode van onrechtmatige bewaring relatief kort was en geen ernstige schending van het recht op vrijheid opleverde.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en het beroep ongegrond, en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.