BRS.26.001442
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL26.12187 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister een inreisverbod tegen appellant uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant komt in zijn enige grief op tegen de overweging van de rechtbank dat het risico op refoulement bij het opleggen van een inreisverbod niet beoordeeld hoeft te worden, omdat het besluit gaat over het verbieden van het betreden van het grondgebied van de Europese Unie en niet over de terugkeer naar het land waar hij dat risico zou lopen. Hij betoogt dat de minister bij het uitvaardigen van het inreisverbod verplicht is om de rechtmatigheid van zowel het terugkeerbesluit als het inreisverbod in ogenschouw te nemen. Omdat het terugkeerbesluit dateert van twee jaar geleden en er daarna geen refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, is er volgens appellant geen sprake van een terugkeerbesluit waarop een inreisverbod kan worden gestoeld. Wat daar ook van zij, het betoog slaagt niet omdat appellant geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement zich in zijn situatie tegen het inreisverbod verzet. Bovendien heeft de minister op dezelfde dag als de uitvaardiging van het inreisverbod ook een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting opgelegd. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft appellant desgevraagd expliciet verklaard geen asiel te willen aanvragen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2630, volgt daarnaast dat de minister het risico op refoulement afdoende bij de oplegging van die maatregel heeft betrokken, zodat van een recente beoordeling in deze fase van de terugkeerprocedure sprake is. De grief faalt. 1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
18-1111