Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2639

Raad van State

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.000908
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 28 DublinverordeningArt. 106 Vw 2000Artikel 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens onjuiste toepassing Dublinverordening

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 2 februari 2026 in bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met als onderbouwing dat een concreet aanknopingspunt bestond dat appellant onder de werking van de Dublinverordening viel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de minister ten tijde van de bewaring niet aan zijn bewijslast voldeed. De overdrachtstermijn van het claimakkoord met Zwitserland was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk was voor de asielaanvraag. De minister had de claim van Duitsland onterecht afgewezen en had dit niet in de procedure ingebracht. Hierdoor was de wettelijke grondslag voor de bewaring onjuist.

De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en kent appellant een schadevergoeding toe over de periode van bewaring. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De bewaring was vanaf het begin onrechtmatig, waardoor een bevel tot opheffing niet nodig was.

Uitkomst: De bewaring van appellant was onrechtmatig en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.000908
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2026 in zaak nr. NL26.6234 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 20 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        De minister heeft appellant in bewaring gesteld krachtens artikel 59a van de Vw 2000. Hij heeft aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat appellant onder de werking van de Dublinverordening valt, omdat Zwitserland een Dublinclaim van Nederland heeft geaccepteerd en Nederland een Dublinclaim van Duitsland heeft afgewezen. In deze uitspraak gaat het om de vraag of appellant op de juiste wettelijke grondslag in bewaring is gesteld.
De grief
2.        De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister haar krachtens artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring kon stellen. Ten tijde van het opleggen van de maatregel was de overdrachtstermijn van het claimakkoord met Zwitserland namelijk al verstreken en was Nederland verantwoordelijk geworden voor de behandeling van haar asielaanvraag, aldus appellant.
De beoordeling van de grief
2.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het enige vereiste van artikel 59a van de Vw 2000 dat artikel 28 van Pro de Dublinverordening in acht wordt genomen. Omdat het opleggen van de maatregel van bewaring krachtens artikel 59a van de Vw 2000 een bezwarend besluit is, moet de minister, voor hij de vreemdeling in bewaring stelt, een onderzoek verrichten naar de voor de bewaring relevante feiten en aan de hand van deze feiten beoordelen of een concreet aanknopingspunt bestaat en of een voor een overdracht vastgestelde termijn niet is verstreken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:944, onder 4.
2.2.        Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken volgt dat Zwitserland in 2021 een Dublinclaim van Nederland heeft geaccepteerd. Omdat appellant daarna met onbekende bestemming is vertrokken, heeft Nederland haar niet kunnen overdragen binnen de overdrachtstermijn. De minister heeft daarna op 16 december 2025 een Dublinclaim van Duitsland afgewezen, omdat hem niet duidelijk was waar appellant verbleef toen zij met onbekende bestemming is vertrokken en de Zwitserse autoriteiten Nederland niet hebben laten weten dat zij niet meer verantwoordelijk zouden zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van appellant.
2.3.        Voor zover onduidelijkheid bestond over de verblijfplaats van appellant ten tijde van de claim uit Duitsland, is die onduidelijkheid in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel op 2 februari 2026 weggenomen. Appellant legt daarin namelijk uit dat zij alleen in België bij familie heeft verbleven en dat zij niet naar Zwitserland terug wilde. De minister had op dat moment, gezien de hiervoor genoemde bewijslast ten aanzien van de beoordeling van de feiten, moeten concluderen dat hij door het verstrijken van de overdrachtstermijn verantwoordelijk is geworden voor appellant en dat hij de claim van Duitsland op 16 december 2025 op onjuiste gronden heeft afgewezen. In de afwijzing van de claim van Nederland door Duitsland op 13 februari 2026 en de door appellant overgelegde memo van de minister van dezelfde datum wordt dit ook bevestigd. De minister heeft dit echter nagelaten in te brengen in de procedure bij de rechtbank.
2.4.        Appellant klaagt daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister haar op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring heeft gesteld. Uit de relevante feiten volgt immers dat de toepasselijke termijn voor een overdracht is verstreken. De minister heeft dat niet onderkend en heeft daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de motivering van de weigering door Nederland van de claim uit Duitsland of de daaropvolgende claim van Nederland op Duitsland niet gezien worden als een actueel concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening op appellant van toepassing was. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op 2 februari 2026 een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening bestond. De minister heeft appellant niet op de juiste wettelijke grondslag in bewaring gesteld. De bewaring was daarmee vanaf het begin onrechtmatig.
2.5.        De grief slaagt.
2.6.        Omdat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Verder zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
Conclusie
3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al op 18 februari 2026 is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 20 februari 2026 in zaak nr. NL26.6234;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.040,00, over de periode van 2 februari 2026 tot en met 18 februari 2026, de dag waarop de maatregel van bewaring is opgeheven, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J. Th. Drop en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
47-1204