ECLI:NL:RVS:2026:2639
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J. Th. Drop
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onjuiste toepassing Dublinverordening
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 2 februari 2026 in bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met als onderbouwing dat een concreet aanknopingspunt bestond dat appellant onder de Dublinverordening viel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister ten onrechte de bewaring heeft opgelegd omdat de overdrachtstermijn van het Dublinakkoord met Zwitserland al was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk was voor de asielaanvraag. De minister had de claim van Duitsland onterecht afgewezen en heeft niet voldaan aan de bewijslast om een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan te tonen.
De rechtbank heeft dit niet onderkend en de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag gebaseerd. De bewaring was daarmee vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en kent appellant een schadevergoeding toe over de periode van bewaring. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De bewaring van appellant is onrechtmatig verklaard en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend.