ECLI:NL:RVS:2021:944
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bewaring vreemdeling wegens onjuiste wettelijke grondslag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 16 januari 2021 in bewaring op basis van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling stelde echter hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de bewaring slechts rechtmatig is indien de staatssecretaris een concreet aanknopingspunt voor overdracht heeft en de toepasselijke overdrachtstermijn nog niet is verstreken. Uit het dossier bleek dat de staatssecretaris op 18 januari 2021 de bewaring opheefde omdat de overdrachtstermijn van 18 maanden was verstreken en de vreemdeling ondergedoken was. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris bij het opleggen van de bewaring op 16 januari 2021 onvoldoende feitenonderzoek had verricht om dit te weten.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de bewaring op juiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding en proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling werd onrechtmatig geacht en vernietigd, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.