ECLI:NL:RVS:2026:2657
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel
Appellant kreeg op 2 september 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie werd ingetrokken. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 april 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant diende op 21 april 2026 een brief in met een verzoek om een nadere termijn voor het indienen van gronden, maar deze werd als pro-formahogerberoepschrift beschouwd. De wettelijke termijn voor hoger beroep liep tot en met 23 april 2026, terwijl appellant de gronden pas op 24 april 2026 indiende. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Er waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.C.A. de Poorter op 12 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de hogerberoepstermijn.