ECLI:NL:RVS:2026:2657

Raad van State

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001983
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel

Appellant kreeg op 2 september 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie werd ingetrokken. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 16 april 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Appellant diende op 21 april 2026 een brief in met een verzoek om een nadere termijn voor het indienen van gronden, maar deze werd als pro-formahogerberoepschrift beschouwd. De wettelijke termijn voor hoger beroep liep tot en met 23 april 2026, terwijl appellant de gronden pas op 24 april 2026 indiende. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.

Er waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.C.A. de Poorter op 12 mei 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de hogerberoepstermijn.

Uitspraak

BRS.26.001983
Datum uitspraak: 12 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.R. Raghoebir, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        Appellant heeft bij brief van 21 april 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij een rechtsmiddel aanwendt tegen de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 23 april 2026. Appellant heeft op 24 april 2026 alsnog gronden ingediend. Omdat de gronden buiten de hogerberoepstermijn van een week zijn binnengekomen, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
977