ECLI:NL:RVS:2026:2685
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 maart 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 18 oktober 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 3 april 2026 gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit binnen tien weken.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, mede vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging.
De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening toe te kennen, zodat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.