ECLI:NL:RVS:2026:2787
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielzaak
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 19 september 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 3 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 18 mei 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat verzoeker recht heeft op opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De minister is bovendien veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is gebaseerd op de belangenafweging en eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak waarborgt dat verzoeker niet onherstelbare schade lijdt door voortijdige uitzetting voordat het hoger beroep is afgerond.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en krijgt opvang en verstrekkingen totdat het hoger beroep is beslist.