Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2793

Raad van State

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001508
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen uitzettingsbesluit

Appellant werd bij besluit van 1 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 26 februari 2026 ongegrond verklaarde.

Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad constateerde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, aangezien de termijn voor het instellen van hoger beroep op 26 maart 2026 eindigde en het beroepschrift daarna werd ontvangen.

De door appellant aangevoerde redenen voor de late indiening werden niet als voldoende erkend, en er waren geen bijzondere omstandigheden (zoals Bahaddar-omstandigheden) die een uitzondering rechtvaardigden. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

BRS.26.001508
Datum uitspraak: 19 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2026 in zaak nr. NL25.40960 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 26 maart 2026. Uw hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. U heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat u als reden voor de late indiening heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
985