Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2872

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
202402573/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken contact met Griekse autoriteiten

Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 3 januari 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat de minister weliswaar niet gebonden is aan de beschermingsstatus die Griekenland aan appellant heeft toegekend, maar dat hij wel contact had moeten opnemen met de Griekse autoriteiten om te verifiëren op welke gronden die status is verleend. Dit is niet gebeurd, waardoor het besluit niet zorgvuldig is genomen.

De Afdeling vernietigt daarom zowel het besluit van 3 januari 2024 als de uitspraak van de rechtbank. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij hij de Griekse autoriteiten betrekt en hun informatie meeneemt in de beoordeling. Tevens moet de minister de proceskosten van appellant vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van contact met de Griekse autoriteiten.

Uitspraak

202402573/1/V2.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 april 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 2 mei 2024, in zaak nr. NL24.575 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 april 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 2 mei 2024, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.G. Matze, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       In de tweede grief klaagt appellant terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister haar asielverzoek zelfstandig en met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden van dat moment kan beoordelen. In de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865, over het arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, heeft de Afdeling onder 7 tot en met 7.3 uiteengezet hoe de minister moet omgaan met asielaanvragen van personen die in Griekenland internationale bescherming hebben gekregen, maar niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Hoewel uit de uitspraak van 2 juli 2025 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister niet gebonden is aan de door Griekenland verleende beschermingsstatus en de asielaanvraag van appellant inhoudelijk mocht behandelen, volgt daaruit ook dat de minister wel contact had moeten opnemen met de Griekse autoriteiten voordat hij een besluit nam op haar asielaanvraag. Dat is ten onrechte niet gebeurd. De grief slaagt.
1.1.    Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling vernietigt het besluit van 3 januari 2024. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat de minister bij de Griekse autoriteiten moet navragen op grond waarvan zij appellant de beschermingsstatus hebben toegekend en dat bij zijn beoordeling moet betrekken. De minister zal een nader standpunt moeten innemen over de beschermingsstatus waarvoor appellant in beginsel in aanmerking komt. Vervolgens moet de minister de Griekse autoriteiten meedelen wat de uitkomst is van zijn beoordeling.
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 april 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 2 mei 2024, in zaak nr. NL24.575;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 3 januari 2024, V-[…];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Stoové
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
309-1163