ECLI:NL:RVS:2026:2917
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing woningvormingsvergunning ondanks verzoek splitsing samengevoegde woning
In deze zaak gaat het om de afwijzing door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van een aanvraag voor een woningvormingsvergunning. De eigenaren hadden in 2015 twee naastgelegen appartementen samengevoegd tot één woning en wilden deze splitsen om tegemoet te komen aan de marktvraag.
De rechtbank had geoordeeld dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet werd toegepast, terwijl de woning feitelijk uit twee zelfstandige appartementen bestaat. Het college stelde echter dat de situatie niet bijzonder is en dat toepassing van de hardheidsclausule niet gerechtvaardigd is vanwege het belang van het behoud van grotere woningen in de woonvoorraad.
De Raad van State oordeelt dat het college de afwijzing voldoende heeft gemotiveerd en dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de eigenaren ongegrond verklaard. Het besluit van 4 september 2025 wordt deels vernietigd omdat de grondslag is komen te vervallen.
De zaak illustreert de afweging tussen individuele belangen van woningeigenaren en het gemeentelijk beleid ter bescherming van de woonruimtevoorraad, waarbij de hardheidsclausule slechts in bijzondere gevallen toepassing vindt.
Uitkomst: Het beroep van de eigenaren tegen de afwijzing van de woningvormingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.