ECLI:NL:RVS:2026:2952
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 29 oktober 2025 is afgewezen. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 13 mei 2026 ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter heeft op 21 mei 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.C.A. de Poorter, in aanwezigheid van griffier L.W. Lagaaij. De beslissing volgt op eerdere jurisprudentie van de Raad van State inzake voorlopige voorzieningen in asielzaken.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.