ECLI:NL:RVS:2026:2977
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitzettingsbesluit en afwijzing hoger beroep tegen ministerieel besluit
Appellant werd door de minister van Asiel en Migratie opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten, eerst bij besluit van 7 februari 2024 en vervolgens bij een vervangend besluit van 24 juli 2025. Appellant stelde beroep in tegen beide besluiten, waarbij de rechtbank het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk verklaarde en het beroep tegen het tweede ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de minister het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel had geschonden en dat de minister onjuiste rechtsgrondslagen had toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aangevoerde grieven geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vragen over de interpretatie van Unierecht zijn reeds beantwoord door het Hof van Justitie en er bestaat geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen.
De Afdeling bevestigt dat de minister niet verplicht was het Uitvoeringsbesluit 2022/382 aan de Raad voor te leggen en dat de toetsing door de rechtbank correct was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het uitzettingsbesluit van de minister wordt bevestigd.