ECLI:NL:RVS:2026:3033
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet-onrechtmatig besluit urgentieverklaring contingentwoning
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin het verzoek om schadevergoeding wegens de afwijzing van een aanvraag voor een urgentieverklaring voor een contingentwoning deels werd toegewezen en deels werd afgewezen.
Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem had de aanvraag van appellant op 5 maart 2020 afgewezen omdat deze niet was ingediend door de verantwoordelijke hulpverleningsinstelling, zoals vereist in de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond 2017. Na bezwaar en beroep werd dit besluit door de rechtbank en de Afdeling bevestigd.
Appellant vorderde schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, bestaande uit drie schadeposten. De rechtbank kende alleen vergoeding toe voor het verlies van een OGGZ-indicatie, maar wees de overige schadeposten af, waaronder de schade wegens de afwijzing van de urgentieverklaring.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat zij alleen bevoegd is over de schadepost gerelateerd aan de urgentieverklaring en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het besluit niet onrechtmatig was en dus geen schadevergoeding toekomt. Het incidenteel hoger beroep van het college werd ingetrokken. De Afdeling veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd, waardoor geen schadevergoeding wordt toegekend.