ECLI:NL:RVS:2026:3046
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging gezinshereniging jongvolwassene en economisch belang
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die een besluit tot afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor familieleden van een jongvolwassene met een verblijfsvergunning asiel vernietigde.
De minister had het jongvolwassenenbeleid toegepast om te beoordelen of er sprake was van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Hoewel het gezinsleven met de moeder en minderjarige broers en zus werd erkend, werd het gezinsleven met de meerderjarige broer ontkend. De minister verrichtte een belangenafweging waarbij het economisch belang van Nederland zwaar woog, wat leidde tot afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd hoe het economisch belang zich verhoudt tot het jongvolwassenenbeleid en dat het economisch belang niet zodanig zwaar mocht wegen dat het gezinsleven van jongvolwassenen inhoudsloos werd. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit oordeel niet volledig en benadrukt dat het economisch belang weliswaar zwaar kan wegen, maar niet categorisch in elk geval doorslaggevend mag zijn.
De Afdeling verduidelijkt dat de minister een geïndividualiseerde belangenafweging moet maken, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de leeftijd en zelfstandigheid van de jongvolwassene, moeten worden meegewogen. Ook wijst de Afdeling het verzoek van de minister af om het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om advies te vragen, omdat de bestaande rechtspraak voldoende duidelijk is.
Uiteindelijk vernietigt de Afdeling het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond, waarmee het oorspronkelijke besluit tot afwijzing van de mvv-aanvragen in stand blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.